donderdag 9 juni 2016

Tafsier Soerah An Nasr (Soerah 110)

The Virtues of Surat An-Nasr

Eerder is al vermeld dat dit (Soerah An Nasr) gelijk staat aan éénvierde van de Qoer-aan, en dat Soerah Az Zalzalah gelijk staat aan éénvierde van de Qoer-aan. An-Nasaa'i heeft overleverd van `Oebaydoellah ibn `Abdoellah ibn `Oetbah dat Ibn `Abbaas tegen hem zei: "O Ibn `Oetbah! Weet jij wat het laatste Qoeraanvers was dat werd geopenbaard?” Hij antwoordde: "Ja, het was:
﴿إِذَا جَآءَ نَصْرُ اللَّهِ وَالْفَتْحُ ﴾
(Wanneer de hulp van Allah komt en de overwinning.) (110:1)'' Hij (Ibn `Abbaas) zei: "Je hebt de waarheid gesproken.''

﴿بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَـنِ الرَّحِيمِ﴾
In de Naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle.
﴿إِذَا جَآء نَصْرُ اللَّهِ وَالْفَتْحُ- وَرَأَيْتَ النَّاسَ يَدْخُلُونَ فِى دِينِ اللَّهِ أَفْوجاً- فَسَبّحْ بِحَمْدِ رَبّكَ وَاسْتَغْفِرْهُ إِنَّهُ كَانَ تَوبَا-﴾
(1. Wanneer de hulp van Allah komt en de overwinning.) (2. En je ziet dat de mensen in drommen Allahs religie binnentreden.) (3. Verheerlijk dus de lof van jouw Heer, en vraag Zijn vergiffenis. Werkelijk, Hij is Degene Die het berouw aanvaardt en Die vergeeft.)

Deze Soerah informeert over de voltooiing van het leven van Allahs Boodschapper


Al-Boekhari leverde over van Ibn `Abbaas dat hij zei: "Oemar placht mij mee te nemen naar de bijeenkomsten van de oudere mannen van (de Slag van) Badr. Het voelde echter alsof iemand van hen iets in zichzelf voelde (tegen mijn aanwezigheid). Hij zei dus: `Waarom breng jij (`Oemar) deze jongen om bij ons te zitten, terwijl wij kinderen zoals hem hebben (in leeftijd).' Dus antwoordde `Oemar: `Werkelijk, hij hoort bij de besten die jullie kennen. Toen riep hij hen op een dag, en nodigde hij mij uit om bij hen te zitten, en ik denk dat hij me die dag alleen maar uitnodigde om hem iets te laten zien. Dus zei hij: `Wat zeggen jullie over Allahs woorden:
﴿إِذَا جَآءَ نَصْرُ اللَّهِ وَالْفَتْحُ ﴾
(Wanneer de hulp van Allah komt en de overwinning.)' Sommige van hen zeiden: `We werden opgedragen Allah te prijzen en Zijn vergiffenis te vragen wanneer Hij ons helpt en ons de overwinning schenkt.' Sommigen bleven stil en zeiden niets. Toen zei hij (‘Oemar) tegen mij:`Zeg jij dat ook, O Ibn `Abbaas?' Ik zei: `Nee.' Hij zei: `Wat zeg jij dan' Ik zei:`Het was het einde van het leven van de Boodschapper van Allah, waar Allah hem van op de hoogte bracht. Allah zei:
﴿إِذَا جَآءَ نَصْرُ اللَّهِ وَالْفَتْحُ ﴾
(Wanneer de hulp van Allah komt en de overwinning.) hetgeen betekent, dat is een teken van het einde van je leven.
﴿فَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ وَاسْتَغْفِرْهُ إِنَّهُ كَانَ تَوِبَا ﴾
(Verheerlijk dus de lof van jouw Heer, en vraag Zijn vergiffenis. Werkelijk, Hij is Degene Die berouw aanvaardt en Die vergeeft.)' Dus zei `Oemar ibn Al-Khattaab: `Ik ken er alleen dat over zoals jij hebt gezegd.''' Alleen Al-Boekhari maakte vermelding van deze hadieth. Imam Ahmad leverde over dat  Ibn `Abbaas zei: "Toen:
﴿إِذَا جَآءَ نَصْرُ اللَّهِ وَالْفَتْحُ ﴾
(Wanneer de hulp van Allah komt en de overwinning.) werd geopenbaard, zei de Boodschapper van Allah:
«نُعِيَتْ إِلَيَّ نَفْسِي»
(Mijn dood werd me aangekondigd.) En hij stierf inderdaad tijdens dat jaar.'' Ahmad was de enige die deze hadieth vastlegde. Al-Boekhari overleverde dat `Aa'isjah zei: "De Boodschapper van Allah zei vaak tijdens het buigen en knielen:
«سُبْحَانَكَ اللَّهُمَّ رَبَّنَا وَبِحَمْدِكَ اللَّهُمَّ اغْفِرْ لِي»
(Lof zij U, O Allah, onze Heer, en ere zij U. O Allah, vergeef me.) Hij deed dit als zijn interpretatie van de Qoer-aan (m.a.w. hij liet de toepassing ervan zien).'' De rest van de groep heeft deze hadieth ook overgeleverd, behalve At-Tirmidhi. Imam Ahmad overleverde van Masroeq dat `Aa'isjah zei: "De Boodschapper van Allah placht vaak aan het einde van zijn leven te zeggen:
«سُبْحَانَ اللهِ وَبِحَمْدِهِ، أَسْتَغْفِرُ اللهَ وَأَتُوبُ إِلَيْه»
(Allah zij geloofd, en ere aan Hem. Ik vraag Allahs vergiffenis en toon mijn berouw aan Hem.) En hij zei:
«إِنَّ رَبِّي كَانَ أَخْبَرَنِي أَنِّي سَأَرَى عَلَامَةً فِي أُمَّتِي، وَأَمَرَنِي إِذَا رَأَيْتُهَا أَنْ أُسَبِّحَ بِحَمْدِهِ وَأَسْتَغْفِرَهُ، إِنَّهُ كَانَ تَوَّابًا، فَقَدْ رَأَيْتُهَا:
﴿إِذَا جَآءَ نَصْرُ اللَّهِ وَالْفَتْحُ - وَرَأَيْتَ النَّاسَ يَدْخُلُونَ فِى دِينِ اللَّهِ أَفْوَجاً - فَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ وَاسْتَغْفِرْهُ إِنَّهُ كَانَ تَوِبَا ﴾»
(Werkelijk, mijn Heer heeft mij verteld dat ik een teken zal zien in mijn Oemmah, en Hij droeg me op dat wanneer ik het zie, ik Hem moet loven en Zijn vergiffenis vragen, want Hij is degene Die berouw aanvaardt. En ik heb het zeker gezien (d.w.z. het teken). (Wanneer de hulp van Allah komt en de overwinning. (Al-Fath). En je ziet dat de mensen in drommen Allahs religie binnentreden. Verheerlijk dus de lof van jouw Heer, en vraag Zijn vergiffenis. Werkelijk, Hij is Degene Die berouw aanvaardt en Die vergeeft.))'' Moeslim overleverde deze hadieth ook. De betekenis van Al-Fath is hier de verovering van Mekka, en hier is slechts één opinie over. Want inderdaad wachtten de verschillende gebieden in Arabië op de verovering van Mekka voordat ze de Islam zouden aanvaarden. Ze zeiden: "Als hij (Mohammed) zijn volk zal overwinnen, dan is hij een ware Profeet.'' Dus, toen Allah hem de overwinning gaf in Mekka, traden ze in drommen de religie van Allah binnen. Zodoende gingen er geen twee jaren voorbij (na de overwinning van Mekka) of het schiereiland van de Arabieren werd gevuld met gelovigen. En er bleef geen enkele stam over van de Arabieren die niet de Islam aanvaardde.  En alle eer en zegeningen zijn dankzij Allah. Al-Boekhari leverde over in zijn Sahieh dat `Amr ibn Salamah zei: "Toen Mekka werd veroverd, haastten alle mensen zich naar de Boodschapper van Allah om hun Islam te betuigen. Verschillende regio hadden hun aanvaarding van de Islam uitgesteld tot Mekka was veroverd. De mensen plachten te zeggen:`Laat hem en zijn mensen met rust. Als hij hen zal overwinnen dan is hij een ware Profeet.''' We hebben de oorlogsexpeditie van de verovering van Mekka bestudeerd in ons boek As-Soerah. Wie dat wil, kan het daarin terugvinden. En alle lof en zegeningen zijn dankzij Allah.Imam Ahmad overleverde van Aboe `Ammar dat een buurman van Djabir ibn `Abdoellah hem vertelde: "Ik kwam terug van een reis en Djabir ibn `Abdoellah kwam, en begroette me. Ik begon met hem te praten over de verdeling onder de mensen en waar ze mee bezig waren. Toen begon Djabir te huilen en hij zei:`Ik hoorde de Boodschapper van Allah zeggen:
«إِنَّ النَّاسَ دَخَلُوا فِي دِينِ اللهِ أَفْوَاجًا، وَسَيَخْرُجُونَ مِنْهُ أَفْوَاجًا»
(Waarlijk, de mensen zijn de religie van Allah in drommen binnengetreden, en ze zullen het ook in drommen verlaten.)'' Dit is het einde van de tafsier van Soerah An Nasr, en alle lof en zegeningen zijn te danken aan Allah.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten