|
The Virtues of Surat An-Nasr
|
|
Eerder is al vermeld
dat dit (Soerah An Nasr) gelijk staat aan éénvierde van de Qoer-aan, en dat
Soerah Az Zalzalah gelijk staat aan éénvierde van de Qoer-aan. An-Nasaa'i heeft
overleverd van `Oebaydoellah ibn `Abdoellah ibn `Oetbah dat Ibn `Abbaas tegen
hem zei: "O Ibn `Oetbah! Weet jij wat het laatste Qoeraanvers was dat
werd geopenbaard?” Hij antwoordde: "Ja, het was:
﴿إِذَا
جَآءَ نَصْرُ اللَّهِ وَالْفَتْحُ ﴾
(Wanneer de hulp van
Allah komt en de overwinning.) (110:1)'' Hij (Ibn `Abbaas) zei: "Je hebt
de waarheid gesproken.''
In de Naam van
Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle.
﴿إِذَا جَآء نَصْرُ اللَّهِ وَالْفَتْحُ- وَرَأَيْتَ
النَّاسَ يَدْخُلُونَ فِى دِينِ اللَّهِ أَفْوجاً- فَسَبّحْ بِحَمْدِ رَبّكَ
وَاسْتَغْفِرْهُ إِنَّهُ كَانَ تَوبَا-﴾
(1. Wanneer de hulp
van Allah komt en de overwinning.) (2. En je ziet dat de mensen in drommen
Allahs religie binnentreden.) (3. Verheerlijk dus de lof van jouw Heer, en
vraag Zijn vergiffenis. Werkelijk, Hij is Degene Die het berouw aanvaardt en
Die vergeeft.)
|
|
Deze Soerah
informeert over de voltooiing van het leven van Allahs Boodschapper
|
|
Al-Boekhari leverde over
van Ibn `Abbaas dat hij zei: "Oemar placht mij mee te nemen naar de
bijeenkomsten van de oudere mannen van (de Slag van) Badr. Het voelde echter
alsof iemand van hen iets in zichzelf voelde (tegen mijn aanwezigheid). Hij
zei dus: `Waarom breng jij (`Oemar) deze jongen om bij ons te zitten, terwijl
wij kinderen zoals hem hebben (in leeftijd).' Dus antwoordde `Oemar: `Werkelijk,
hij hoort bij de besten die jullie kennen. Toen riep hij hen op een dag, en
nodigde hij mij uit om bij hen te zitten, en ik denk dat hij me die dag
alleen maar uitnodigde om hem iets te laten zien. Dus zei hij: `Wat zeggen jullie over Allahs woorden:
﴿إِذَا
جَآءَ نَصْرُ اللَّهِ وَالْفَتْحُ ﴾
(Wanneer de hulp van
Allah komt en de overwinning.)' Sommige van hen zeiden: `We werden opgedragen
Allah te prijzen en Zijn vergiffenis te vragen wanneer Hij ons helpt en ons
de overwinning schenkt.' Sommigen bleven stil en zeiden niets. Toen zei hij (‘Oemar)
tegen mij:`Zeg jij dat ook, O Ibn `Abbaas?' Ik zei: `Nee.' Hij zei: `Wat zeg
jij dan' Ik zei:`Het was het einde van het leven van de Boodschapper van
Allah, waar Allah hem van op de hoogte bracht. Allah zei:
﴿إِذَا جَآءَ نَصْرُ اللَّهِ وَالْفَتْحُ ﴾
(Wanneer de hulp van
Allah komt en de overwinning.) hetgeen betekent, dat is een teken van het
einde van je leven.
﴿فَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ وَاسْتَغْفِرْهُ إِنَّهُ
كَانَ تَوِبَا ﴾
(Verheerlijk dus de
lof van jouw Heer, en vraag Zijn vergiffenis. Werkelijk, Hij is Degene Die
berouw aanvaardt en Die vergeeft.)' Dus zei `Oemar ibn Al-Khattaab: `Ik ken
er alleen dat over zoals jij hebt gezegd.''' Alleen Al-Boekhari maakte
vermelding van deze hadieth. Imam Ahmad leverde over dat Ibn `Abbaas zei: "Toen:
﴿إِذَا جَآءَ نَصْرُ اللَّهِ وَالْفَتْحُ ﴾
(Wanneer de hulp van
Allah komt en de overwinning.) werd geopenbaard, zei de Boodschapper van
Allah:
«نُعِيَتْ إِلَيَّ نَفْسِي»
(Mijn dood werd me
aangekondigd.) En hij stierf inderdaad tijdens dat jaar.'' Ahmad was de enige
die deze hadieth vastlegde. Al-Boekhari overleverde dat `Aa'isjah zei: "De
Boodschapper van Allah zei vaak tijdens het buigen en knielen:
«سُبْحَانَكَ اللَّهُمَّ رَبَّنَا وَبِحَمْدِكَ
اللَّهُمَّ اغْفِرْ لِي»
(Lof zij U, O Allah,
onze Heer, en ere zij U. O Allah, vergeef me.) Hij deed dit als zijn interpretatie
van de Qoer-aan (m.a.w. hij liet de toepassing ervan zien).'' De rest van de
groep heeft deze hadieth ook overgeleverd, behalve At-Tirmidhi. Imam Ahmad overleverde
van Masroeq dat `Aa'isjah zei: "De Boodschapper van Allah placht vaak
aan het einde van zijn leven te zeggen:
«سُبْحَانَ اللهِ وَبِحَمْدِهِ، أَسْتَغْفِرُ اللهَ
وَأَتُوبُ إِلَيْه»
(Allah zij geloofd, en
ere aan Hem. Ik vraag Allahs vergiffenis en toon mijn berouw aan Hem.) En hij
zei:
«إِنَّ رَبِّي كَانَ أَخْبَرَنِي أَنِّي سَأَرَى عَلَامَةً
فِي أُمَّتِي، وَأَمَرَنِي إِذَا رَأَيْتُهَا أَنْ أُسَبِّحَ بِحَمْدِهِ
وَأَسْتَغْفِرَهُ، إِنَّهُ كَانَ تَوَّابًا، فَقَدْ رَأَيْتُهَا:
﴿إِذَا
جَآءَ نَصْرُ اللَّهِ وَالْفَتْحُ - وَرَأَيْتَ النَّاسَ يَدْخُلُونَ فِى دِينِ
اللَّهِ أَفْوَجاً - فَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ وَاسْتَغْفِرْهُ إِنَّهُ كَانَ
تَوِبَا ﴾»
(Werkelijk,
mijn Heer heeft mij verteld dat ik een teken zal zien in mijn Oemmah, en Hij
droeg me op dat wanneer ik het zie, ik Hem moet loven en Zijn vergiffenis
vragen, want Hij is degene Die berouw aanvaardt. En ik heb het zeker gezien (d.w.z.
het teken). (Wanneer de hulp van Allah komt en de overwinning. (Al-Fath). En
je ziet dat de mensen in drommen Allahs religie binnentreden. Verheerlijk dus
de lof van jouw Heer, en vraag Zijn vergiffenis. Werkelijk, Hij is Degene Die
berouw aanvaardt en Die vergeeft.))'' Moeslim overleverde deze hadieth ook. De betekenis van Al-Fath
is hier de verovering van Mekka, en hier is slechts één opinie over. Want inderdaad
wachtten de verschillende gebieden in Arabië op de verovering van Mekka
voordat ze de Islam zouden aanvaarden. Ze zeiden: "Als hij (Mohammed)
zijn volk zal overwinnen, dan is hij een ware Profeet.'' Dus, toen Allah hem
de overwinning gaf in Mekka, traden ze in drommen de religie van Allah binnen.
Zodoende gingen er geen twee jaren voorbij (na de overwinning van Mekka) of
het schiereiland van de Arabieren werd gevuld met gelovigen. En er bleef geen
enkele stam over van de Arabieren die niet de Islam aanvaardde. En alle eer en
zegeningen zijn dankzij Allah. Al-Boekhari leverde over in zijn Sahieh
dat `Amr ibn Salamah zei: "Toen Mekka werd veroverd, haastten alle
mensen zich naar de Boodschapper van Allah om hun Islam te betuigen. Verschillende
regio hadden hun aanvaarding van de Islam uitgesteld tot Mekka was veroverd. De
mensen plachten te zeggen:`Laat hem en zijn mensen met rust. Als hij hen zal
overwinnen dan is hij een ware Profeet.''' We hebben de oorlogsexpeditie van
de verovering van Mekka bestudeerd in ons boek As-Soerah. Wie dat wil, kan het daarin terugvinden. En alle lof en
zegeningen zijn dankzij Allah.Imam Ahmad overleverde van Aboe `Ammar dat een
buurman van Djabir ibn `Abdoellah hem vertelde: "Ik kwam terug van een
reis en Djabir ibn `Abdoellah kwam, en begroette me. Ik begon met hem te
praten over de verdeling onder de mensen en waar ze mee bezig waren. Toen
begon Djabir te huilen en hij zei:`Ik hoorde de Boodschapper van Allah
zeggen:
«إِنَّ النَّاسَ دَخَلُوا فِي دِينِ اللهِ أَفْوَاجًا،
وَسَيَخْرُجُونَ مِنْهُ أَفْوَاجًا»
(Waarlijk, de mensen
zijn de religie van Allah in drommen binnengetreden, en ze zullen het ook in
drommen verlaten.)'' Dit is het einde van de tafsier van Soerah An Nasr, en
alle lof en zegeningen zijn te danken aan Allah.
|
Geen opmerkingen:
Een reactie posten