Tafsier van de laatste twee verzen van Soerah Al Baqarah
Zullen dienaren aansprakelijk worden gehouden voor wat ze in hun hart verbergen
Allah
zegt dat het koninkrijk van de hemelen en de aarde en alles dat zich
daartussen bevindt, van Hem is, en dat Hij daar perfect over waakt.
Geen zichtbaar iets of een geheim dat het hart verbergt is ooit een
geheim voor Hem, hoe klein het ook mag zijn. Allah zegt ook dat Hij
Zijn dienaren aansprakelijk zal stellen voor hetgeen zij doen, en wat
zij in hun hart verbergen. In gelijksoortige verklaringen, zei Allah,
﴿قُلْ
إِن تُخْفُواْ مَا فِى صُدُورِكُمْ أَوْ
تُبْدُوهُ يَعْلَمْهُ اللَّهُ وَيَعْلَمُ
مَا فِى السَّمَـوَتِ وَمَا فِى الاٌّرْضِ
وَاللَّهُ عَلَى كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌ
﴾
(Zeg
(O Mohammed ): "Of je nu verbergt wat in je hart is, of het
openbaart, Allah kent het, en Hij weet wat er in de hemelen is en wat
er op aarde is. En Allah is in staat alles te doen) ﴾3:29
﴿,
en,
﴿يَعْلَمُ
السِّرَّ وَأَخْفَى﴾
(Hij
kent het geheime en dat wat nog verborgener is.)
Er
zijn veel andere ayaat (verzen) over dit onderwerp. In deze ayah
(2:284),
zegt Allah dat Hij weet wat de harten verbergen, en daarom zal Hij de
schepping aansprakelijk houden voor hetgeen in hun hart is. En om
deze reden was het zo moeilijk voor de Metgezellen toen deze ayah
werd geopenbaard, Ze waren namelijk door hun sterke geloof en
overtuiging bang dat een dergelijke afrekening hun goede daden zou
doen verminderen.
Imam
Ahmad schreef dat Aboe Hoerayrah zei, "Toen het volgende aan de
Boodschapper van Allah werd geopenbaard:
﴿لِّلَّهِ
مَا فِي السَّمَـوتِ وَمَا فِى الاٌّرْضِ
وَإِن تُبْدُواْ مَا فِي أَنفُسِكُمْ
أَوْ تُخْفُوهُ يُحَاسِبْكُم بِهِ اللَّهُ
فَيَغْفِرُ لِمَن يَشَآءُ وَيُعَذِّبُ
مَن يَشَآءُ وَاللَّهُ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ
قَدِيرٌ ﴾
(Aan
Allah behoort alles wat in de hemelen is en alles wat op de aarde is,
en of jullie onthullen wat in jullie binnenste is of jullie het
verbergen, Allah zal jullie er aansprakelijk voor houden. Dan zal Hij
vergeven wie Hij wil, en straffen wie Hij wil, En Allah is in staat
alles te doen)
was
dit heel moeilijk voor de Metgezellen van de Profeet. De Metgezellen
kwamen bij de Profeet en vielen op hun knieën en zeiden `O
Boodschapper van Allah! Ons werd gevraagd dat te verrichten wat we
aan daden kunnen dragen: het gebed, vasten, jihad en liefdadigheid.
Maar deze ayah die aan u is geopenbaard, kunnen we niet dragen.' De
Boodschapper van Allah zei:
«أَتُرِيدُونَ
أَنْ تَقُولُوا كَما قَالَ أَهْلُ
الْكِتَابَيْنِ مِنْ قَبْلِكُمْ:
سَمِعْنَا
وَعَصَيْنَا؟ بَلْ قُولُوا:
سَمِعْنَا
وَأَطَعْنَا غُفْرَانَكَ رَبَّنَا
وَإِلَيْكَ الْمَصِير»
(Willen
jullie herhalen wat de Mensen van de Twee Boeken vóór
jullie zeiden, en dat is `We horen en gehoorzamen niet' Zeg liever
`We horen en gehoorzamen, en we vragen Uw vergeving, O onze Heer, en
de terugkeer is naar U.)
Toen
de mensen deze verklaring aanvaardden, en hun tongen het uitspraken,
openbaarde Allah daarna:
﴿ءَامَنَ
الرَّسُولُ بِمَآ أُنزِلَ إِلَيْهِ مِن
رَّبِّهِ وَالْمُؤْمِنُونَ كُلٌّ ءَامَنَ
بِاللَّهِ وَمَلَـئِكَتِهِ وَكُتُبِهِ
وَرُسُلِهِ لاَ نُفَرِّقُ بَيْنَ أَحَدٍ
مِّن رُّسُلِهِ وَقَالُواْ سَمِعْنَا
وَأَطَعْنَا غُفْرَانَكَ رَبَّنَا
وَإِلَيْكَ الْمَصِيرُ ﴾
(De
Boodschapper gelooft in hetgeen aan hem is neergezonden van zijn
Heer, en zo ook de gelovigen. Een ieder gelooft in Allah, Zijn
engelen, Zijn Boeken, en Zijn Boodschappers. (Zij zeggen) "Wij
maken geen onderscheid tussen Zijn Boodschappers, en zij zeggen, "Wij
horen, en wij gehoorzamen. (Wij streven naar) Uw vergeving, onze
Heer, en tot U is de terugkeer (van alles).'')
Toen
ze dat deden, hief Allah ayah (2:284)
op en openbaarde de volgende ayah:
﴿لاَ
يُكَلِّفُ اللَّهُ نَفْسًا إِلاَّ
وُسْعَهَا لَهَا مَا كَسَبَتْ وَعَلَيْهَا
مَا اكْتَسَبَتْ رَبَّنَا لاَ تُؤَاخِذْنَآ
إِن نَّسِينَآ أَوْ أَخْطَأْنَا﴾
(Allah
belast geen persoon boven zijn draagvermogen. Hij wordt beloond voor
(het goede) wat hij heeft verdiend, en wordt bestraft voor (het
slechte) wat hij heeft verdiend, "Onze Heer! Bestraf ons niet
als wij vergeten of ons vergissen.'') tot aan het einde.
Moeslim
beschreef het met de woorden: "Toen zij dat deden, hief Allah
vers (2:284)
op en openbaarde:
﴿لاَ
يُكَلِّفُ اللَّهُ نَفْسًا إِلاَّ
وُسْعَهَا لَهَا مَا كَسَبَتْ وَعَلَيْهَا
مَا اكْتَسَبَتْ رَبَّنَا لاَ تُؤَاخِذْنَآ
إِن نَّسِينَآ أَوْ أَخْطَأْنَا﴾
(Allah
belast geen persoon boven zijn draagvermogen. Hij wordt beloond voor
(het goede) wat hij heeft verdiend, en wordt bestraft voor (het
slechte) wat hij heeft verdiend, "Onze Heer! Bestraf ons niet
als wij vergeten of ons vergissen.'')
Allah
zei: `Ik aanvaard (jullie smeekbede)'
﴿رَبَّنَا
وَلاَ تَحْمِلْ عَلَيْنَآ إِصْرًا كَمَا
حَمَلْتَهُ عَلَى الَّذِينَ مِن قَبْلِنَا﴾
("Onze
Heer! Belast ons niet met een last zoals waarmee U degenen voor ons
belastte.» (de joden en de christenen)
Allah
zei, `Ik aanvaard (jullie smeekbede)'
﴿رَبَّنَا
وَلاَ تُحَمِّلْنَا مَا لاَ طَاقَةَ
لَنَا بِهِ﴾
("Onze
Heer! Belast ons niet met een grotere last dan wij kunnen dragen. '')
Allah
zei: `Ik aanvaard jullie smeekbede'
﴿وَاعْفُ
عَنَّا وَاغْفِرْ لَنَا وَارْحَمْنَآ
أَنتَ مَوْلَـنَا فَانْصُرْنَا عَلَى
الْقَوْمِ الْكَـفِرِينَ﴾
("Wis
onze zonden uit en schenk ons vergiffenis. Heb genade met ons. U bent
onze Mauwla (Verdediger en Beschermer) en geef ons de overwinning
over de ongelovige volken.'')
Allah
zei, `Dat zal Ik.'''
Imam
Ahmad beschreef dat Moedjaahid zei, "Ik zag Ibn `Abbaas en zei
tegen hem, `O Aboe Abbaas! Ik was bij Ibn `Oemar, en hij las deze
ayah en huilde.' Hij vroeg, `Welke ayah', zei ik:
﴿وَإِن
تُبْدُواْ مَا فِي أَنفُسِكُمْ أَوْ
تُخْفُوهُ﴾
`(En
of jullie onthullen wat in jullie binnenste is, of het verbergen.)'
Ibn
`Abbaas zei, `Toen deze ayah werd geopenbaard, viel dat de
Metgezellen van de Boodschapper van Allah erg zwaar, en waren ze hier
erg ongerust door. Ze zeiden: O Boodschapper van Allah! We weten dat
we zullen worden gestraft voor onze verklaringen en onze daden, maar
betreffende wat zich in onze harten afspeelt, daar hebben we geen
contrôle over.' De Boodschapper van Allah zei,
«قُولُوا:
سَمِعْنَا
وَأَطَعْنَا»
(Zeg,
`We horen en we gehoorzamen.') Ze zeiden, `We horen en we
gehoorzamen.' Daarna werd het voorgaande vers opgeheven door deze
ayah,
﴿ءَامَنَ
الرَّسُولُ بِمَآ أُنزِلَ إِلَيْهِ مِن
رَّبِّهِ وَالْمُؤْمِنُونَ كُلٌّ ءَامَنَ
بِاللَّهِ﴾
(De
Boodschapper gelooft in hetgeen aan hem is neergezonden van zijn
Heer, en zo ook de gelovigen), tot
﴿لاَ
يُكَلِّفُ اللَّهُ نَفْسًا إِلاَّ
وُسْعَهَا لَهَا مَا كَسَبَتْ وَعَلَيْهَا
مَا اكْتَسَبَتْ﴾
(Allah
belast geen persoon boven zijn draagvermogen. Hij wordt beloond voor
(het goede) wat hij heeft verdiend, en wordt bestraft voor (het
slechte) wat hij heeft verdiend),
Zodoende
werden ze vergeven voor wat zich in hun harten afspeelt, en slechts
aansprakelijk gehouden voor hun daden.'''
Volgens
een overlevering van Aboe Hoerayrah zei de Boodschapper van Allah,
«إِنَّ
اللهَ تَجَاوَزَ لِي عَنْ أُمَّتِي مَا
حَدَّثَتْ بِهِ أَنْفُسَهَا مَالَمْ
تَكَلَّمْ أَوْ تَعْمَل»
(Allah
heeft mijn oemmah datgene vergeven wat ze in zichzelf zeggen,
zolang ze het niet uiten of zich ernaar gedragen.)
De
Twee Sahiehs (Boekharie en Moeslim) vertellen dat Aboe Hoerayrah zei
dat de Boodschapper van Allah zei,
«قَالَ
اللهُ:
إِذَا
هَمَّ عَبْدِي بِسَيِّئَةٍ فَلَا
تَكْتُبُوهَا عَلَيهِ، فَإِنْ عَمِلَهَا
فَاكْتُبُوهَا سَيِّئَةً، وَإِذَا هَمَّ
بِحَسَنَةٍ فَلَمْ يَعْمَلْهَا
فَاكْتُبُوهَا حَسَنَةً، فَإِنْ عَمِلَهَا
فَاكْتُبُوهَا عَشْرًا»
(Allah
zei (tegen Zijn engelen), "Wanneer Mijn dienaar de bedoeling
heeft om een slechte daad te begaan, schrijf het dan niet als daad
voor hem op, en als hij die daad begaat, schrijf het dan voor hem op
als één slechte daad. Als hij de bedoeling heeft om een goede daad
te doen, maar dat vervolgens niet doet, schrijf het dan voor hem op
als een goede daad, en als hij het uitvoert, schrijf het dan voor hem
op als tien goede daden.'')
﴿ءَامَنَ
الرَّسُولُ بِمَآ أُنزِلَ إِلَيْهِ مِن
رَّبِّهِ وَالْمُؤْمِنُونَ كُلٌّ ءَامَنَ
بِاللَّهِ وَمَلَـئِكَتِهِ وَكُتُبِهِ
وَرُسُلِهِ لاَ نُفَرِّقُ بَيْنَ أَحَدٍ
مِّن رُّسُلِهِ وَقَالُواْ سَمِعْنَا
وَأَطَعْنَا غُفْرَانَكَ رَبَّنَا
وَإِلَيْكَ الْمَصِيرُ ﴾
لاَ
يُكَلّفُ اللَّهُ نَفْسًا إِلاَّ وُسْعَهَا
لَهَا مَا كَسَبَتْ وَعَلَيْهَا مَا
اكْتَسَبَتْ رَبَّنَا لاَ تُؤَاخِذْنَآ
إِن نَّسِينَآ أَوْ أَخْطَأْنَا رَبَّنَا
وَلاَ تَحْمِلْ عَلَيْنَآ إِصْرًا كَمَا
حَمَلْتَهُ عَلَى الَّذِينَ مِن قَبْلِنَا
رَبَّنَا وَلاَ تُحَمّلْنَا مَا لاَ
طَاقَةَ لَنَا بِهِ وَاعْفُ عَنَّا
وَاغْفِرْ لَنَا وَارْحَمْنَآ أَنتَ
مَوْلَـنَا فَانْصُرْنَا عَلَى الْقَوْمِ
الْكَـفِرِينَ-﴾
(285.
De Boodschapper gelooft in hetgeen aan hem is neergezonden van zijn
Heer, en zo ook de gelovigen. Een ieder gelooft in Allah, Zijn
engelen, Zijn Boeken, en Zijn Boodschappers. (Zij zeggen) "Wij
maken geen onderscheid tussen Zijn Boodschappers, en zij zeggen, "Wij
horen, en wij gehoorzamen. (Wij streven naar) Uw vergeving, onze
Heer, en tot U is de terugkeer (van alles).) (286. Allah belast geen
persoon boven zijn draagvermogen. Hij wordt beloond voor (het goede)
wat hij heeft verdiend, en wordt bestraft voor (het slechte) wat hij
heeft verdiend, "Onze Heer! Bestraf ons niet als wij vergeten of
ons vergissen.'' "Onze Heer! Belast ons niet met een last zoals
waarmee U degenen voor ons belastte.» (de joden en de
christenen);"Onze Heer! Belast ons niet met een grotere last dan
wij kunnen dragen. '' "Wis onze zonden uit en schenk ons
vergiffenis. Heb genade met ons. U bent onze Mauwla (Verdediger en
Beschermer) en geef ons de overwinning over de ongelovige volken.''
De
Hadieth
gaat over de kracht van deze twee ayaat,
Moge Allah ons ervan laten profiteren. Al-Boekharie leverde over dat
Aboe Mas'oed tegen de Boodschapper van Allah zei,
«مَنْ
قَرَأَ بِالْآيَتَيْنِ مِنْ آخِرِ سُورَةِ
الْبَقَرَةِ فِي لَيْلَةٍ، كَفَتَاه»
(Het
zal voor eenieder die 's nachts de laatste twee ayaat van
Soerah Al Baqarah reciteert, voldoende voor diegene zijn.)
De
rest van de zes hebben een gelijksoortige bewoording
van deze hadieth vastgelegd. De Twee Sahiehs vermelden deze
hadieth met verchillende overleveringsketens, en imam Ahmad
vermeldt het ook.
Moeslim
vermeldde dat `Abdoellah zei, "Toen de Boodschapper van Allah op
zijn Isra reis ging, steeg hij op naar de Sidrat Al-Moentaha in de
zevende hemel, waar alles wat van de aarde opstijgt, eindigt, en
alles wat er van erboven neerdaalt, eindigt.
﴿إِذْ
يَغْشَى السِّدْرَةَ مَا يَغْشَى ﴾
(Toen
de lotusboom bedekt werd met de bedekking!) (53:16)
,dat
wil zeggen, een mat gemaakt van goud.
Toen
werden drie dingen aan de Boodschapper van Allah gegeven: de vijf
gebeden, de laatste ayaat van Soerah Al Baqarah, en
vergiffenis voor eenieder die niemand en niets naast Allah plaatst
van deze oemmah.''
Eerder
al noemden we de hadieth betreffende de kracht van Soerah
Al Fatihah van Ibn `Abbaas die vermeldde, "Toen de Boodschapper
van Allah bij Djibriel was, hoorde hij een geluid van boven. Djibriel
richtte zijn blik omhoog naar de hemel en zei, `Dat is een deur die
nu net werd geopend in de hemel, en die nooit eerder open was.' Er
kwam een engel naar beneden door die deur naar de Profeet toe en zei,
`Ontvang het goede nieuws van twee lichten die aan jou zijn gegeven,
en die aan geen enkele Profeet voor jou werden gegeven: De Opener van
het Boek (Al-Fatihah) en de laatste ayaat van soerah
Al-Baqarah. Je zult profijt hebben van elke letter die je ervan
leest.''' Deze hadieth werd verzameld door Moeslim en An
Nasaaï, en dit was de bewoording van An Nasaaï.
ALLE INFORMATIE IS VERTAALD VAN DE WEBSITE
www.qtafsir.com