zondag 29 mei 2016

Tafsier van de laatste twee verzen van Soerah Al Baqarah

Tafsier van de laatste twee verzen van Soerah Al Baqarah

Zullen dienaren aansprakelijk worden gehouden voor wat ze in hun hart verbergen


Allah zegt dat het koninkrijk van de hemelen en de aarde en alles dat zich daartussen bevindt, van Hem is, en dat Hij daar perfect over waakt. Geen zichtbaar iets of een geheim dat het hart verbergt is ooit een geheim voor Hem, hoe klein het ook mag zijn. Allah zegt ook dat Hij Zijn dienaren aansprakelijk zal stellen voor hetgeen zij doen, en wat zij in hun hart verbergen. In gelijksoortige verklaringen, zei Allah,
﴿قُلْ إِن تُخْفُواْ مَا فِى صُدُورِكُمْ أَوْ تُبْدُوهُ يَعْلَمْهُ اللَّهُ وَيَعْلَمُ مَا فِى السَّمَـوَتِ وَمَا فِى الاٌّرْضِ وَاللَّهُ عَلَى كُلِّ شَىْءٍ قَدِيرٌ ﴾
(Zeg (O Mohammed ): "Of je nu verbergt wat in je hart is, of het openbaart, Allah kent het, en Hij weet wat er in de hemelen is en wat er op aarde is. En Allah is in staat alles te doen) 3:29 ﴿, en,
﴿يَعْلَمُ السِّرَّ وَأَخْفَى﴾
(Hij kent het geheime en dat wat nog verborgener is.)
Er zijn veel andere ayaat (verzen) over dit onderwerp. In deze ayah (2:284), zegt Allah dat Hij weet wat de harten verbergen, en daarom zal Hij de schepping aansprakelijk houden voor hetgeen in hun hart is. En om deze reden was het zo moeilijk voor de Metgezellen toen deze ayah werd geopenbaard, Ze waren namelijk door hun sterke geloof en overtuiging bang dat een dergelijke afrekening hun goede daden zou doen verminderen.
Imam Ahmad schreef dat Aboe Hoerayrah zei, "Toen het volgende aan de Boodschapper van Allah werd geopenbaard:
﴿لِّلَّهِ مَا فِي السَّمَـوتِ وَمَا فِى الاٌّرْضِ وَإِن تُبْدُواْ مَا فِي أَنفُسِكُمْ أَوْ تُخْفُوهُ يُحَاسِبْكُم بِهِ اللَّهُ فَيَغْفِرُ لِمَن يَشَآءُ وَيُعَذِّبُ مَن يَشَآءُ وَاللَّهُ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ ﴾
(Aan Allah behoort alles wat in de hemelen is en alles wat op de aarde is, en of jullie onthullen wat in jullie binnenste is of jullie het verbergen, Allah zal jullie er aansprakelijk voor houden. Dan zal Hij vergeven wie Hij wil, en straffen wie Hij wil, En Allah is in staat alles te doen)
was dit heel moeilijk voor de Metgezellen van de Profeet. De Metgezellen kwamen bij de Profeet en vielen op hun knieën en zeiden `O Boodschapper van Allah! Ons werd gevraagd dat te verrichten wat we aan daden kunnen dragen: het gebed, vasten, jihad en liefdadigheid. Maar deze ayah die aan u is geopenbaard, kunnen we niet dragen.' De Boodschapper van Allah zei:
«أَتُرِيدُونَ أَنْ تَقُولُوا كَما قَالَ أَهْلُ الْكِتَابَيْنِ مِنْ قَبْلِكُمْ: سَمِعْنَا وَعَصَيْنَا؟ بَلْ قُولُوا: سَمِعْنَا وَأَطَعْنَا غُفْرَانَكَ رَبَّنَا وَإِلَيْكَ الْمَصِير»
(Willen jullie herhalen wat de Mensen van de Twee Boeken vóór jullie zeiden, en dat is `We horen en gehoorzamen niet' Zeg liever `We horen en gehoorzamen, en we vragen Uw vergeving, O onze Heer, en de terugkeer is naar U.)
Toen de mensen deze verklaring aanvaardden, en hun tongen het uitspraken, openbaarde Allah daarna:
﴿ءَامَنَ الرَّسُولُ بِمَآ أُنزِلَ إِلَيْهِ مِن رَّبِّهِ وَالْمُؤْمِنُونَ كُلٌّ ءَامَنَ بِاللَّهِ وَمَلَـئِكَتِهِ وَكُتُبِهِ وَرُسُلِهِ لاَ نُفَرِّقُ بَيْنَ أَحَدٍ مِّن رُّسُلِهِ وَقَالُواْ سَمِعْنَا وَأَطَعْنَا غُفْرَانَكَ رَبَّنَا وَإِلَيْكَ الْمَصِيرُ ﴾
(De Boodschapper gelooft in hetgeen aan hem is neergezonden van zijn Heer, en zo ook de gelovigen. Een ieder gelooft in Allah, Zijn engelen, Zijn Boeken, en Zijn Boodschappers. (Zij zeggen) "Wij maken geen onderscheid tussen Zijn Boodschappers, en zij zeggen, "Wij horen, en wij gehoorzamen. (Wij streven naar) Uw vergeving, onze Heer, en tot U is de terugkeer (van alles).'')
Toen ze dat deden, hief Allah ayah (2:284) op en openbaarde de volgende ayah:
﴿لاَ يُكَلِّفُ اللَّهُ نَفْسًا إِلاَّ وُسْعَهَا لَهَا مَا كَسَبَتْ وَعَلَيْهَا مَا اكْتَسَبَتْ رَبَّنَا لاَ تُؤَاخِذْنَآ إِن نَّسِينَآ أَوْ أَخْطَأْنَا﴾
(Allah belast geen persoon boven zijn draagvermogen. Hij wordt beloond voor (het goede) wat hij heeft verdiend, en wordt bestraft voor (het slechte) wat hij heeft verdiend, "Onze Heer! Bestraf ons niet als wij vergeten of ons vergissen.'') tot aan het einde.
Moeslim beschreef het met de woorden: "Toen zij dat deden, hief Allah vers (2:284) op en openbaarde:
﴿لاَ يُكَلِّفُ اللَّهُ نَفْسًا إِلاَّ وُسْعَهَا لَهَا مَا كَسَبَتْ وَعَلَيْهَا مَا اكْتَسَبَتْ رَبَّنَا لاَ تُؤَاخِذْنَآ إِن نَّسِينَآ أَوْ أَخْطَأْنَا﴾
(Allah belast geen persoon boven zijn draagvermogen. Hij wordt beloond voor (het goede) wat hij heeft verdiend, en wordt bestraft voor (het slechte) wat hij heeft verdiend, "Onze Heer! Bestraf ons niet als wij vergeten of ons vergissen.'')
Allah zei: `Ik aanvaard (jullie smeekbede)'
﴿رَبَّنَا وَلاَ تَحْمِلْ عَلَيْنَآ إِصْرًا كَمَا حَمَلْتَهُ عَلَى الَّذِينَ مِن قَبْلِنَا﴾
("Onze Heer! Belast ons niet met een last zoals waarmee U degenen voor ons belastte.» (de joden en de christenen)
Allah zei, `Ik aanvaard (jullie smeekbede)'
﴿رَبَّنَا وَلاَ تُحَمِّلْنَا مَا لاَ طَاقَةَ لَنَا بِهِ﴾
("Onze Heer! Belast ons niet met een grotere last dan wij kunnen dragen. '')
Allah zei: `Ik aanvaard jullie smeekbede'
﴿وَاعْفُ عَنَّا وَاغْفِرْ لَنَا وَارْحَمْنَآ أَنتَ مَوْلَـنَا فَانْصُرْنَا عَلَى الْقَوْمِ الْكَـفِرِينَ﴾
("Wis onze zonden uit en schenk ons vergiffenis. Heb genade met ons. U bent onze Mauwla (Verdediger en Beschermer) en geef ons de overwinning over de ongelovige volken.'')
Allah zei, `Dat zal Ik.'''
Imam Ahmad beschreef dat Moedjaahid zei, "Ik zag Ibn `Abbaas en zei tegen hem, `O Aboe Abbaas! Ik was bij Ibn `Oemar, en hij las deze ayah en huilde.' Hij vroeg, `Welke ayah', zei ik:
﴿وَإِن تُبْدُواْ مَا فِي أَنفُسِكُمْ أَوْ تُخْفُوهُ﴾
`(En of jullie onthullen wat in jullie binnenste is, of het verbergen.)'
Ibn `Abbaas zei, `Toen deze ayah werd geopenbaard, viel dat de Metgezellen van de Boodschapper van Allah erg zwaar, en waren ze hier erg ongerust door. Ze zeiden: O Boodschapper van Allah! We weten dat we zullen worden gestraft voor onze verklaringen en onze daden, maar betreffende wat zich in onze harten afspeelt, daar hebben we geen contrôle over.' De Boodschapper van Allah zei,
«قُولُوا: سَمِعْنَا وَأَطَعْنَا»
(Zeg, `We horen en we gehoorzamen.') Ze zeiden, `We horen en we gehoorzamen.' Daarna werd het voorgaande vers opgeheven door deze ayah,
﴿ءَامَنَ الرَّسُولُ بِمَآ أُنزِلَ إِلَيْهِ مِن رَّبِّهِ وَالْمُؤْمِنُونَ كُلٌّ ءَامَنَ بِاللَّهِ﴾
(De Boodschapper gelooft in hetgeen aan hem is neergezonden van zijn Heer, en zo ook de gelovigen), tot
﴿لاَ يُكَلِّفُ اللَّهُ نَفْسًا إِلاَّ وُسْعَهَا لَهَا مَا كَسَبَتْ وَعَلَيْهَا مَا اكْتَسَبَتْ﴾
(Allah belast geen persoon boven zijn draagvermogen. Hij wordt beloond voor (het goede) wat hij heeft verdiend, en wordt bestraft voor (het slechte) wat hij heeft verdiend),
Zodoende werden ze vergeven voor wat zich in hun harten afspeelt, en slechts aansprakelijk gehouden voor hun daden.'''
Volgens een overlevering van Aboe Hoerayrah zei de Boodschapper van Allah,
«إِنَّ اللهَ تَجَاوَزَ لِي عَنْ أُمَّتِي مَا حَدَّثَتْ بِهِ أَنْفُسَهَا مَالَمْ تَكَلَّمْ أَوْ تَعْمَل»
(Allah heeft mijn oemmah datgene vergeven wat ze in zichzelf zeggen, zolang ze het niet uiten of zich ernaar gedragen.)
De Twee Sahiehs (Boekharie en Moeslim) vertellen dat Aboe Hoerayrah zei dat de Boodschapper van Allah zei,
«قَالَ اللهُ: إِذَا هَمَّ عَبْدِي بِسَيِّئَةٍ فَلَا تَكْتُبُوهَا عَلَيهِ، فَإِنْ عَمِلَهَا فَاكْتُبُوهَا سَيِّئَةً، وَإِذَا هَمَّ بِحَسَنَةٍ فَلَمْ يَعْمَلْهَا فَاكْتُبُوهَا حَسَنَةً، فَإِنْ عَمِلَهَا فَاكْتُبُوهَا عَشْرًا»
(Allah zei (tegen Zijn engelen), "Wanneer Mijn dienaar de bedoeling heeft om een slechte daad te begaan, schrijf het dan niet als daad voor hem op, en als hij die daad begaat, schrijf het dan voor hem op als één slechte daad. Als hij de bedoeling heeft om een goede daad te doen, maar dat vervolgens niet doet, schrijf het dan voor hem op als een goede daad, en als hij het uitvoert, schrijf het dan voor hem op als tien goede daden.'')
﴿ءَامَنَ الرَّسُولُ بِمَآ أُنزِلَ إِلَيْهِ مِن رَّبِّهِ وَالْمُؤْمِنُونَ كُلٌّ ءَامَنَ بِاللَّهِ وَمَلَـئِكَتِهِ وَكُتُبِهِ وَرُسُلِهِ لاَ نُفَرِّقُ بَيْنَ أَحَدٍ مِّن رُّسُلِهِ وَقَالُواْ سَمِعْنَا وَأَطَعْنَا غُفْرَانَكَ رَبَّنَا وَإِلَيْكَ الْمَصِيرُ ﴾
لاَ يُكَلّفُ اللَّهُ نَفْسًا إِلاَّ وُسْعَهَا لَهَا مَا كَسَبَتْ وَعَلَيْهَا مَا اكْتَسَبَتْ رَبَّنَا لاَ تُؤَاخِذْنَآ إِن نَّسِينَآ أَوْ أَخْطَأْنَا رَبَّنَا وَلاَ تَحْمِلْ عَلَيْنَآ إِصْرًا كَمَا حَمَلْتَهُ عَلَى الَّذِينَ مِن قَبْلِنَا رَبَّنَا وَلاَ تُحَمّلْنَا مَا لاَ طَاقَةَ لَنَا بِهِ وَاعْفُ عَنَّا وَاغْفِرْ لَنَا وَارْحَمْنَآ أَنتَ مَوْلَـنَا فَانْصُرْنَا عَلَى الْقَوْمِ الْكَـفِرِينَ-
(285. De Boodschapper gelooft in hetgeen aan hem is neergezonden van zijn Heer, en zo ook de gelovigen. Een ieder gelooft in Allah, Zijn engelen, Zijn Boeken, en Zijn Boodschappers. (Zij zeggen) "Wij maken geen onderscheid tussen Zijn Boodschappers, en zij zeggen, "Wij horen, en wij gehoorzamen. (Wij streven naar) Uw vergeving, onze Heer, en tot U is de terugkeer (van alles).) (286. Allah belast geen persoon boven zijn draagvermogen. Hij wordt beloond voor (het goede) wat hij heeft verdiend, en wordt bestraft voor (het slechte) wat hij heeft verdiend, "Onze Heer! Bestraf ons niet als wij vergeten of ons vergissen.'' "Onze Heer! Belast ons niet met een last zoals waarmee U degenen voor ons belastte.» (de joden en de christenen);"Onze Heer! Belast ons niet met een grotere last dan wij kunnen dragen. '' "Wis onze zonden uit en schenk ons vergiffenis. Heb genade met ons. U bent onze Mauwla (Verdediger en Beschermer) en geef ons de overwinning over de ongelovige volken.''
De Hadieth gaat over de kracht van deze twee ayaat, Moge Allah ons ervan laten profiteren. Al-Boekharie leverde over dat Aboe Mas'oed tegen de Boodschapper van Allah zei,
«مَنْ قَرَأَ بِالْآيَتَيْنِ مِنْ آخِرِ سُورَةِ الْبَقَرَةِ فِي لَيْلَةٍ، كَفَتَاه»
(Het zal voor eenieder die 's nachts de laatste twee ayaat van Soerah Al Baqarah reciteert, voldoende voor diegene zijn.)
De rest van de zes hebben een gelijksoortige bewoording van deze hadieth vastgelegd. De Twee Sahiehs vermelden deze hadieth met verchillende overleveringsketens, en imam Ahmad vermeldt het ook.
Moeslim vermeldde dat `Abdoellah zei, "Toen de Boodschapper van Allah op zijn Isra reis ging, steeg hij op naar de Sidrat Al-Moentaha in de zevende hemel, waar alles wat van de aarde opstijgt, eindigt, en alles wat er van erboven neerdaalt, eindigt.
﴿إِذْ يَغْشَى السِّدْرَةَ مَا يَغْشَى ﴾
(Toen de lotusboom bedekt werd met de bedekking!) (53:16) ,dat wil zeggen, een mat gemaakt van goud.
Toen werden drie dingen aan de Boodschapper van Allah gegeven: de vijf gebeden, de laatste ayaat van Soerah Al Baqarah, en vergiffenis voor eenieder die niemand en niets naast Allah plaatst van deze oemmah.''
Eerder al noemden we de hadieth betreffende de kracht van Soerah Al Fatihah van Ibn `Abbaas die vermeldde, "Toen de Boodschapper van Allah bij Djibriel was, hoorde hij een geluid van boven. Djibriel richtte zijn blik omhoog naar de hemel en zei, `Dat is een deur die nu net werd geopend in de hemel, en die nooit eerder open was.' Er kwam een engel naar beneden door die deur naar de Profeet toe en zei, `Ontvang het goede nieuws van twee lichten die aan jou zijn gegeven, en die aan geen enkele Profeet voor jou werden gegeven: De Opener van het Boek (Al-Fatihah) en de laatste ayaat van soerah Al-Baqarah. Je zult profijt hebben van elke letter die je ervan leest.''' Deze hadieth werd verzameld door Moeslim en An Nasaaï, en dit was de bewoording van An Nasaaï.

ALLE INFORMATIE IS VERTAALD VAN DE WEBSITE
www.qtafsir.com