|
De reden voor de
openbaring van deze Soerah, en de arrogantie van Aboe Lahab t.o.v. de
Boodschapper van Allah
|
|
Al-Boekhari leverde over
van Ibn `Abbaas dat de Profeet naar de vallei van Al Batha vertrok, en de
berg beklom. Daarna riep hij uit:
«يَا صَبَاحَاه»
(O mensen, kom
meteen!) Zodoende verzamelden de Qoeraysj zich om hem heen. Vervolgens zei
hij:
«أَرَأَيْتُمْ إِنْ حَدَّثْتُكُمْ أَنَّ الْعَدُوَّ
مُصَبِّحُكُمْ، أَوْ مُمَسِّيكُمْ أَكُنْتُمْ تُصَدِّقُونِّي»
(Als ik jullie zou
vertellen dat de vijand jullie zal aanvallen in de ochtend, of ‘s avonds,
zouden jullie me dan allen geloven?) Ze antwoordden: "Ja.'' Toen zei hij:
«فَإِنِّي نَذِيرٌ لَكُمْ بَيْنَ يَدَيْ عَذَابٍ
شَدِيد»
(Werkelijk, ik ben
een waarschuwer die naar jullie allen is gestuurd, voor de komst van een
ernstige kwelling.) Toen zei Aboe Lahab: "Heb je ons daarvoor bij elkaar
geroepen, moge je worden vernietigd!'' Zodoende openbaarde Allah:
﴿تَبَّتْ يَدَآ أَبِى لَهَبٍ وَتَبَّ ﴾
(Vernietigd zijn de
twee handen van Aboe Lahab en vernietigd is hij!) tot aan het eind van de Soerah.
In een andere overlevering wordt vermeld dat hij opstond en het stof van zijn
handen sloeg, en zei: "Teer weg voor de rest van de dag! Heb je ons voor
dit verzameld?'' Toen openbaarde Allah:
﴿تَبَّتْ يَدَآ أَبِى لَهَبٍ وَتَبَّ ﴾
(Vernietigd zijn de
twee handen van Aboe Lahab en vernietigd is hij!) Het eerste deel is een smeekbede
tegen hem, en het tweede is informatie over hem. Deze man, Aboe Lahab, was
een van de ooms van de Boodschapper van Allah. Zijn naam was `Abdoel-`Oezza ibn Abdoel-Moettalib. Zijn bijnaam was
Aboe `Oetaybah en hij werd Aboe Lahab genoemd (lahab = vlam) door zijn “vlammend”
gezicht. Hij berokkende de Boodschapper van Allah vaak problemen. Hij haatte
hem en beschimpte hem en zijn godsdienst. Imam Ahmad leverde over van Aboe
Az-Zinad dat een man met de naam Rabie`ah ibn `Abbaad van de Bani Ad-Dil
(stam), een man van pre-islamitische onwetendheid die de islam aanvaardde,
tegen hem zei: "Ik zag de Profeet in de tijd van de pre-islamitische
onwetendheid op de markt van Dhoel-Madjaaz en hij zei:
«يَا أَيُّهَا النَّاسُ، قُولُوا: لَا إِلهَ إِلَّا
اللهُ تُفْلِحُوا»
(O mensen! Zeg dat
er geen god waardig is om te worden aanbeden behalve Allah, en jullie zullen
succesvol zijn.) De mensen verzamelden zich rondom hem, en achter hem was een
man met een “vlammend” gezicht, schele (of schuine) ogen en met twee vlechten
in zijn haar. Hij zei: "Werkelijk, hij is een afvallige (van onze
religie) en een leugenaar!'' Deze man volgde hem (de Profeet) overal waar hij
naar toe ging. Dus vroeg ik wie dat was, en de mensen zeiden: "Dat is
zijn oom, Aboe Lahab.'' Ahmad leverde deze overlevering ook over van
Soeraydj, die het overleverde van Ibn Aboe Az-Zinad, die het overleverde van
zijn vader (Aboe Zinad) die deze zelfde overlevering vermeldde. In die
overlevering zei Aboe Zinad echter: "Ik zei tegen Rabie`ah, `Was jij
toen een kind?' Hij antwoordde: `Nee. Bij Allah, die dag was ik heel
schrander, en ik was de beste fluitspeler (muziekfluit) “. Ahmad was de enige
die deze overlevering vermeldt. Betreffende Allahs woorden:
﴿مَآ أَغْنَى عَنْهُ مَالُهُ وَمَا كَسَبَ ﴾
(Zijn
rijkdom/bezittingen en zijn kinderen (Kasab) zullen hem niet tot nut zijn!) Ibn `Abbaas en anderen zeiden:
﴿وَمَا كَسَبَ﴾
(en zijn kinderen
(Kasab) zullen hem niet tot nut zijn!) "Kasab betekent zijn kinderen.'' Een
gelijkluidende verklaring werd overgeleverd door `Aaïsjah, Moedjaahid, `Ata',
Al-Hasan en Ibn Sirien. Er werd gezegd door Ibn Mas`oed dat wanneer de Boodschapper
van Allah zijn volk opriep naar het geloof, Aboe Lahab zei: "Zelfs als wat
mijn neef zegt waar is, zal ik mezelf vrijkopen (m.a.w. mezelf redden) van de
pijnlijke foltering op de Dag des Oordeels met mijn rijkdom en mijn kinderen.''
Dus openbaarde Allah:
﴿مَآ أَغْنَى عَنْهُ مَالُهُ وَمَا كَسَبَ ﴾
(Zijn rijkdom en
zijn kinderen zullen hem niet van nut zijn!) Dan zegt Allah:
﴿سَيَصْلَى نَاراً ذَاتَ لَهَبٍ ﴾
(Hij zal een vuur
vol met vlammen binnengaan!) betekent, er zijn vlammen in, slecht en ernstige
verbranding.
|
|
Het lot van Oem
Djamiel, de vrouw van Aboe Lahab
|
|
﴿وَامْرَأَتُهُ حَمَّالَةَ
الْحَطَبِ ﴾
(En ook zijn vrouw,
die brandhout draagt.) Zijn vrouw hoorde bij de vooraanstaande vrouwen van
Qoeraysj, en men kende haar als Oem Djamiel. Haar naam was `Arwah bint Harb ibn
Oemayyah en ze was een zuster van Aboe Soefyaan. Ze stond vierkant achter
haar man m.b.t. zijn ongeloof, verwerping en hardnekkigheid. Daarom zal zij
meehelpen aan zijn bestraffing in het vuur van de Hel op de Dag des Oordeels..
Allah zegt zodoende:
﴿وَامْرَأَتُهُ حَمَّالَةَ الْحَطَبِ - فِى جِيدِهَا
حَبْلٌ مِّن مَّسَدٍ ﴾
(Die brandhout aandraagt. Rondom haar hals is
een koord van Masad.) d.w.z. dat zij het brandhout aan zal dragen en het op
haar echtgenoot gooien, om dat te verergeren waar hij in is (de kwelling), en
ze zal bereid zijn om dat te doen.
﴿فِى جِيدِهَا حَبْلٌ مِّن مَّسَدٍ ﴾
(Om haar hals is een
koord van Masad.) Moedjaahid en `Oerwah zeiden beide: "Van de palmvezels
van het Vuur.'' Al-`Auwfi leverde over van Ibn `Abbaas, `Atiyah Al-Djadali,
Adh-Dhahaak en Ibn Zayd dat ze doornen gooide op het pad van de Boodschapper
van Allah . Al-Djauwhari zei: "Al-Masad slaat op vezels, het is ook een
touw gemaakt van vezls of palmbladeren. Het wordt ook gemaakt van de huiden
van kamelen of van hun vacht. In het Arabisch zegt men Masadtoel-Habla en
Amsadoehoe Masadan, als je een streng stevig vastbindt.'' Moedjaahid zei:
﴿فِى جِيدِهَا حَبْلٌ مِّن مَّسَدٍ ﴾
(Om haar hals is een
touw van Masad.) "Dit betekent een halsband van ijzer.'' Heb je niet
gezien dat de Arabieren een katrol kabel “Masad” noemen?
Een verhaal over hoe de vrouw van
Aboe Lahab de Boodschapper van Allah kwaad doet
|
|||
|
Ibn Abi Hatim zei
dat zijn vader en Aboe Aboe Zoer`ah beide zeiden dat `Abdoellah ibn Az-Zoebayr
Al-Hoemaydi hen vertelde dat Soefyaan hen verteld had dat Al-Walied ibn
Kathir overleverde van Ibn Tadroes dat Asma' bint Abi Bakr zei: "Toen
﴿تَبَّتْ يَدَآ أَبِى لَهَبٍ﴾
(Vernietigd zijn de
twee handen van Aboe Lahab en vernietigd is hij)!) werd geopenbaard, kwam de
eenogige Oem Djamiel bint Harb weeklagend naar buiten, en ze had een steen in
haar hand. Ze zei: `Hij bekritiseert onze vader, en zijn religie is ons
voorwerp van verachting, en zijn opdracht is om ons niet te gehoorzamen.' De
Boodschapper van Allah zat in de moskee (van de Ka‘ba) en Aboe Bakr was bij
hem. Toen Aboe Bakr haar zag, zei hij: `O Boodschapper van Allah! Ze komt
eraan en ik ben bang dat ze jou zal zien.' De Boodschapper van Allah antwoordde:
«إِنَّهَا لَنْ تَرَانِي»
(Werkelijk, ze zal
mij niet zien.) Toen reciteerde hij iets van de Qoer-aan op als bescherming
voor zichzelf. Dit is zoals Allah zegt:
﴿وَإِذَا قَرَأْتَ الْقُرءَانَ جَعَلْنَا بَيْنَكَ
وَبَيْنَ الَّذِينَ لاَ يُؤْمِنُونَ بِالاٌّخِرَةِ حِجَابًا مَّسْتُورًا ﴾
(En wanneer jij de
Qoer-aan reciteert, plaatsen Wij tussen jou en degenen die niet in het
Hiernamaals geloven , een onzichtbare sluier.) (17:45) Dus kwam ze dichterbij
tot ze voor Aboe Bakr stond en ze zag de Boodschapper van Allah niet . Toen
zei ze: `O Aboe Bakr! Werkelijk, er is mij verteld dat jouw vriend lasterlijke
gedichten over mij maakt.' Aboe Bakr antwoordde: `Nee! Bij de Heer van dit
Huis (de Ka‘ba), hij belastert jou niet.' Dus keerde ze zich om en zei: `Zeker,
de Qoeraysj weten dat ik de dochter van hun leider ben.''' Al-Walied of een
andere persoon vertelden het in een andere versie van deze hadieth: "Dus
struikelde Oem Djamiel over haar gewaad
terwijl ze de rondgang (Tawaaf) rond
het Huis (de Ka‘ba) maakte, en ze zei: `Vervloekt is de belediger.' Toen zei
Oem Hakiem bint `Abdoel-Moettalib: `Ik ben een kuise vrouw en dus zal ik niet
schimpend spreken, en ik ben beschaafd , dus ik weet het niet. Wij zijn beide
kinderen van dezelfde oom. En uiteindelijk weten alle Qoeraysj het het beste.''
Dit is het eind van de tafsier van deze Soerah, en alle dank en lof zijn voor
Allah.
|
Geen opmerkingen:
Een reactie posten