woensdag 8 juni 2016

Tafsier Soerah Al Masad (soerah 111)

De reden voor de openbaring van deze Soerah, en de arrogantie van Aboe Lahab t.o.v. de Boodschapper van Allah

Al-Boekhari leverde over van Ibn `Abbaas dat de Profeet naar de vallei van Al Batha vertrok, en de berg beklom. Daarna riep hij uit:
«يَا صَبَاحَاه»
(O mensen, kom meteen!) Zodoende verzamelden de Qoeraysj zich om hem heen. Vervolgens zei hij:
«أَرَأَيْتُمْ إِنْ حَدَّثْتُكُمْ أَنَّ الْعَدُوَّ مُصَبِّحُكُمْ، أَوْ مُمَسِّيكُمْ أَكُنْتُمْ تُصَدِّقُونِّي»
(Als ik jullie zou vertellen dat de vijand jullie zal aanvallen in de ochtend, of ‘s avonds, zouden jullie me dan allen geloven?) Ze antwoordden: "Ja.'' Toen zei hij:
«فَإِنِّي نَذِيرٌ لَكُمْ بَيْنَ يَدَيْ عَذَابٍ شَدِيد»
(Werkelijk, ik ben een waarschuwer die naar jullie allen is gestuurd, voor de komst van een ernstige kwelling.) Toen zei Aboe Lahab: "Heb je ons daarvoor bij elkaar geroepen, moge je worden vernietigd!'' Zodoende openbaarde Allah:
﴿تَبَّتْ يَدَآ أَبِى لَهَبٍ وَتَبَّ ﴾
(Vernietigd zijn de twee handen van Aboe Lahab en vernietigd is hij!) tot aan het eind van de Soerah. In een andere overlevering wordt vermeld dat hij opstond en het stof van zijn handen sloeg, en zei: "Teer weg voor de rest van de dag! Heb je ons voor dit verzameld?'' Toen openbaarde Allah:
﴿تَبَّتْ يَدَآ أَبِى لَهَبٍ وَتَبَّ ﴾
(Vernietigd zijn de twee handen van Aboe Lahab en vernietigd is hij!) Het eerste deel is een smeekbede tegen hem, en het tweede is informatie over hem. Deze man, Aboe Lahab, was een van de ooms van de Boodschapper van Allah. Zijn naam was `Abdoel-`Oezza ibn Abdoel-Moettalib. Zijn bijnaam was Aboe `Oetaybah en hij werd Aboe Lahab genoemd (lahab = vlam) door zijn “vlammend” gezicht. Hij berokkende de Boodschapper van Allah vaak problemen. Hij haatte hem en beschimpte hem en zijn godsdienst. Imam Ahmad leverde over van Aboe Az-Zinad dat een man met de naam Rabie`ah ibn `Abbaad van de Bani Ad-Dil (stam), een man van pre-islamitische onwetendheid die de islam aanvaardde, tegen hem zei: "Ik zag de Profeet in de tijd van de pre-islamitische onwetendheid op de markt van Dhoel-Madjaaz en hij zei:
«يَا أَيُّهَا النَّاسُ، قُولُوا: لَا إِلهَ إِلَّا اللهُ تُفْلِحُوا»
(O mensen! Zeg dat er geen god waardig is om te worden aanbeden behalve Allah, en jullie zullen succesvol zijn.) De mensen verzamelden zich rondom hem, en achter hem was een man met een “vlammend” gezicht, schele (of schuine) ogen en met twee vlechten in zijn haar. Hij zei: "Werkelijk, hij is een afvallige (van onze religie) en een leugenaar!'' Deze man volgde hem (de Profeet) overal waar hij naar toe ging. Dus vroeg ik wie dat was, en de mensen zeiden: "Dat is zijn oom, Aboe Lahab.'' Ahmad leverde deze overlevering ook over van Soeraydj, die het overleverde van Ibn Aboe Az-Zinad, die het overleverde van zijn vader (Aboe Zinad) die deze zelfde overlevering vermeldde. In die overlevering zei Aboe Zinad echter: "Ik zei tegen Rabie`ah, `Was jij toen een kind?' Hij antwoordde: `Nee. Bij Allah, die dag was ik heel schrander, en ik was de beste fluitspeler (muziekfluit) “. Ahmad was de enige die deze overlevering vermeldt. Betreffende Allahs woorden:
﴿مَآ أَغْنَى عَنْهُ مَالُهُ وَمَا كَسَبَ ﴾
(Zijn rijkdom/bezittingen en zijn kinderen (Kasab) zullen hem niet tot nut zijn!) Ibn `Abbaas en anderen zeiden:
﴿وَمَا كَسَبَ﴾
(en zijn kinderen (Kasab) zullen hem niet tot nut zijn!) "Kasab betekent zijn kinderen.'' Een gelijkluidende verklaring werd overgeleverd door `Aaïsjah, Moedjaahid, `Ata', Al-Hasan en Ibn Sirien. Er werd gezegd door Ibn Mas`oed dat wanneer de Boodschapper van Allah zijn volk opriep naar het geloof, Aboe Lahab zei: "Zelfs als wat mijn neef zegt waar is, zal ik mezelf vrijkopen (m.a.w. mezelf redden) van de pijnlijke foltering op de Dag des Oordeels met mijn rijkdom en mijn kinderen.'' Dus openbaarde Allah:
﴿مَآ أَغْنَى عَنْهُ مَالُهُ وَمَا كَسَبَ ﴾
(Zijn rijkdom en zijn kinderen zullen hem niet van nut zijn!) Dan zegt Allah:
﴿سَيَصْلَى نَاراً ذَاتَ لَهَبٍ ﴾
(Hij zal een vuur vol met vlammen binnengaan!) betekent, er zijn vlammen in, slecht en ernstige verbranding.

Het lot van Oem Djamiel, de vrouw van Aboe Lahab


﴿وَامْرَأَتُهُ حَمَّالَةَ الْحَطَبِ ﴾
(En ook zijn vrouw, die brandhout draagt.) Zijn vrouw hoorde bij de vooraanstaande vrouwen van Qoeraysj, en men kende haar als Oem Djamiel. Haar naam was `Arwah bint Harb ibn Oemayyah en ze was een zuster van Aboe Soefyaan. Ze stond vierkant achter haar man m.b.t. zijn ongeloof, verwerping en hardnekkigheid. Daarom zal zij meehelpen aan zijn bestraffing in het vuur van de Hel op de Dag des Oordeels.. Allah zegt zodoende:
﴿وَامْرَأَتُهُ حَمَّالَةَ الْحَطَبِ - فِى جِيدِهَا حَبْلٌ مِّن مَّسَدٍ ﴾
(Die brandhout aandraagt. Rondom haar hals is een koord van Masad.) d.w.z. dat zij het brandhout aan zal dragen en het op haar echtgenoot gooien, om dat te verergeren waar hij in is (de kwelling), en ze zal bereid zijn om dat te doen.
﴿فِى جِيدِهَا حَبْلٌ مِّن مَّسَدٍ ﴾
(Om haar hals is een koord van Masad.) Moedjaahid en `Oerwah zeiden beide: "Van de palmvezels van het Vuur.'' Al-`Auwfi leverde over van Ibn `Abbaas, `Atiyah Al-Djadali, Adh-Dhahaak en Ibn Zayd dat ze doornen gooide op het pad van de Boodschapper van Allah . Al-Djauwhari zei: "Al-Masad slaat op vezels, het is ook een touw gemaakt van vezls of palmbladeren. Het wordt ook gemaakt van de huiden van kamelen of van hun vacht. In het Arabisch zegt men Masadtoel-Habla en Amsadoehoe Masadan, als je een streng stevig vastbindt.'' Moedjaahid zei:
﴿فِى جِيدِهَا حَبْلٌ مِّن مَّسَدٍ ﴾
(Om haar hals is een touw van Masad.) "Dit betekent een halsband van ijzer.'' Heb je niet gezien dat de Arabieren een katrol kabel “Masad” noemen? 

Een verhaal over hoe de vrouw van Aboe Lahab de Boodschapper van Allah kwaad doet




Ibn Abi Hatim zei dat zijn vader en Aboe Aboe Zoer`ah beide zeiden dat `Abdoellah ibn Az-Zoebayr Al-Hoemaydi hen vertelde dat Soefyaan hen verteld had dat Al-Walied ibn Kathir overleverde van Ibn Tadroes dat Asma' bint Abi Bakr zei: "Toen
﴿تَبَّتْ يَدَآ أَبِى لَهَبٍ﴾
(Vernietigd zijn de twee handen van Aboe Lahab en vernietigd is hij)!) werd geopenbaard, kwam de eenogige Oem Djamiel bint Harb weeklagend naar buiten, en ze had een steen in haar hand. Ze zei: `Hij bekritiseert onze vader, en zijn religie is ons voorwerp van verachting, en zijn opdracht is om ons niet te gehoorzamen.' De Boodschapper van Allah zat in de moskee (van de Ka‘ba) en Aboe Bakr was bij hem. Toen Aboe Bakr haar zag, zei hij: `O Boodschapper van Allah! Ze komt eraan en ik ben bang dat ze jou zal zien.' De Boodschapper van Allah antwoordde:
«إِنَّهَا لَنْ تَرَانِي»
(Werkelijk, ze zal mij niet zien.) Toen reciteerde hij iets van de Qoer-aan op als bescherming voor zichzelf. Dit is zoals Allah zegt:
﴿وَإِذَا قَرَأْتَ الْقُرءَانَ جَعَلْنَا بَيْنَكَ وَبَيْنَ الَّذِينَ لاَ يُؤْمِنُونَ بِالاٌّخِرَةِ حِجَابًا مَّسْتُورًا ﴾
(En wanneer jij de Qoer-aan reciteert, plaatsen Wij tussen jou en degenen die niet in het Hiernamaals geloven , een onzichtbare sluier.) (17:45) Dus kwam ze dichterbij tot ze voor Aboe Bakr stond en ze zag de Boodschapper van Allah niet . Toen zei ze: `O Aboe Bakr! Werkelijk, er is mij verteld dat jouw vriend lasterlijke gedichten over mij maakt.' Aboe Bakr antwoordde: `Nee! Bij de Heer van dit Huis (de Ka‘ba), hij belastert jou niet.' Dus keerde ze zich om en zei: `Zeker, de Qoeraysj weten dat ik de dochter van hun leider ben.''' Al-Walied of een andere persoon vertelden het in een andere versie van deze hadieth: "Dus struikelde Oem Djamiel over haar  gewaad terwijl ze de rondgang  (Tawaaf) rond het Huis (de Ka‘ba) maakte, en ze zei: `Vervloekt is de belediger.' Toen zei Oem Hakiem bint `Abdoel-Moettalib: `Ik ben een kuise vrouw en dus zal ik niet schimpend spreken, en ik ben beschaafd , dus ik weet het niet. Wij zijn beide kinderen van dezelfde oom. En uiteindelijk weten alle Qoeraysj het het beste.'' Dit is het eind van de tafsier van deze Soerah, en alle dank en lof zijn voor Allah.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten