In het Boek der Geneeskunde van zijn Sahieh, overleverde Al-Boekhari
dat ‘Aaïsjah zei: "De Boodschapper van Allah was behekst tot hij dacht
dat hij omgang had gehad met zijn vrouwen, maar hij geen omgang met hen had
gehad.'' Soefyaan zei: "Dit is de ergste vorm van betovering wanneer
het tot dit stadium komt.'' Daarom zei de
Profeet:
«يَا عَائِشَةُ، أَعَلِمْتِ
أَنَّ اللهَ قَدْ أَفْتَانِي فِيمَا اسْتَفْتَيْتُهُ فِيهِ؟ أَتَانِي
رَجُلَانِ فَقَعَدَ أَحَدُهُمَا عِنْدَ رَأْسِي وَالْاخَرُ عِنْدَ رِجْلَيَّ،
فَقَال الَّذِي عِنْدَ رَأْسِي لِلْاخَرِ: مَا بَالُ الرَّجُلِ؟ قَالَ:
مَطْبُوبٌ، قَالَ: وَمَنْ طَبَّهُ، قَالَ: لَبِيدُ بْنُ أَعْصَمَ: رَجُلٌ مِنْ
بَنِي زُرَيْقٍ حَلِيفٌ لِيَهُودَ، كَانَ مُنَافِقًا، قَالَ: وَفِيمَ؟ قَالَ:
فِي مُشْطٍ وَمُشَاطَةٍ، قَالَ: وَأَيْنَ؟ قَالَ: فِي جُفِّ طَلْعَةٍ ذَكَرٍ،
تَحْتَ رَاعُوفَةٍ فِي بِئْرِ ذَرْوَانَ»
(O `Aaïsjah! Weet je dat Allah
mij heeft geantwoord betreffende dat wat ik Hem had gevraagd. Twee mannen
kwamen naar me toe en de ene zat bij mijn hoofd terwijl de andere bij mijn
voeten zat. Degene die bij mijn hoofd zat zei tegen de andere: `Wat scheelt
deze man?' De andere antwoordde: `Hij is behekst/betoverd.' De eerste zei:
`Wie heeft hem betoverd?' De andere antwoordde: `Labid ibn A`sam. Dat is een man van de
Banoe Zoerayq (stam) die een
bondgenoot is van de joden, en een hypocriet.' De eerste vroeg: `Waar heeft
hij hem mee betoverd?' De andere antwoordde: `Met een kam en haar uit de
kam.' De eerste vroeg: `Waar is de kam?' De andere antwoordde: `In de
gedroogde schors van een mannelijke dadelpalm onder een rots in een bron
genoemd Dharwan.') ‘Aaïsjah zei:
"Dus ging hij naar de bron toe en verwijderde het (de kam met het haar).
Daarna zei hij:
«هَذِهِ الْبِئْرُ الَّتِي أُرِيتُهَا، وَكَأَنَّ
مَاءَهَا نُقَاعَةُ الحِنَّاءِ،وَكَأَنَّ نَخْلَهَا رُؤُوسُ الشَّيَاطِين»
(Dit is de bron die ik zag. Het leek alsof het water ervan doordrenkt
was met henna, en de palmbomen erbij waren als duivelskoppen.) Dus verwijderde
hij het (uit de bron). Toen zei ik (`Aaïsjah): `Zal je dit niet bekend
maken?' Hij antwoordde:
«أَمَّا اللهُ فَقَدْ شَفَانِي، وَأَكْرَهُ أَنْ
أُثِيرَ عَلَى أَحَدٍ مِنَ النَّاسِ شَرًّا»
(Allah heeft mij genezen en ik heb er een hekel aan het nieuws van
slechte dingen aan wie dan ook te vertellen.)''
﴿بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَـنِ الرَّحِيمِ
In de Naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle.
﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبّ النَّاسِ- مَلِكِ النَّاسِ-
إِلَـهِ النَّاسِ- مِن شَرّ الْوَسْوَاسِ الْخَنَّاسِ- الَّذِى يُوَسْوِسُ فِى
صُدُورِ النَّاسِ- مِنَ الْجِنَّةِ وَالنَّاسِ-﴾
(1. Zeg: "Ik zoek toevlucht bij de Heer van An-Naas,'') (2.
"De Koning van An-Naas,'') (3. "De God van An-Naas,'')
(4. "Tegen het kwaad van de influisteraar die zich terugtrekt.'') (5.
"Die in de borsten van An-Naas fluistert.'') (6. "Van de Djinn
en An-Naas.'') Dit zijn drie eigenschappen van de eigenschappen van
de Heer, de Allermachtigste en Majesteitelijke. Het zijn het heerschap, de
majesteitelijkheid en goddelijkheid. Daarom is Hij de Heer van alles, de
Koning van alles en de God van alles. Alle dingen werden door Hem
geschapen, zijn Zijn bezit, en zijn ondergeschikt aan Hem. Dus beveelt Hij
eenieder die bescherming zoekt bij de Ene Die deze eigenschappen heeft
tegen het kwaad van de influisteraar die zich terugtrekt. Deze (de
influisteraar) is de duivel die aan de mens is toegewezen. Want werkelijk;
er is geen enkele van de kinderen van Adam die geen metgezel heeft die de
slechte daden voor hem mooi doen lijken. Deze duivel zal al het mogelijke
doen om hem in de war te brengen en te vernietigen. De enige persoon die veilig
is, is degene die Allah beschermt.
Het is bevestigd in de Sahieh dat hij (de Profeet) zei:
«مَا مِنْكُمْ مِنْ أَحَدٍ
إِلَّا قَدْ وُكِّلَ بِهِ قَرِينُهُ»
(Er is niemand van jullie die geen metgezel (een duivel) toegewezen
heeft gekregen.) Zij (de Metgezellen) zeiden: "En u dan O Messenger of
Allah'' antwoordde hij:
«نَعَمْ، إِلَّا أَنَّ اللهَ أَعَانَنِي عَلَيْهِ
فَأَسْلَمَ، فَلَا يَأْمُرُنِي إِلَّا بِخَيْرٍ»
(Ja. Maar Allah heeft me echter tegen hem geholpen, en hij heeft de
islam geaanvaard. Zodoende draagt hij me alleen goede dingen op.) Het is
tevens bevestigd in de Twee Sahiehs van Anas, die het verhaal van Safiyyah
overleverde toen ze de Profeet kwam bezoeken toen hij I`tikaf
verrichtte, dat hij ’s nachts met haar meeliep om haar terug te brengen
naar haar huis. En ze kwamen onderweg twee mannen van de Ansaar tegen. Toen
zij de Profeet zagen, begonnen ze sneller te lopen. Daarom zei de
Boodschapper van Allah:
«عَلَى رِسْلِكُمَا، إِنَّهَا صَفِيَّةُ بِنْتُ
حُيَيَ»
(Rustig aan! Dit is Safiyyah bint Hoeyay!) Zij
zeiden, "Glorie aan Allah, O Boodschapper van Allah!'' Hij zei:
«إِنَّ الشَّيْطَانَ يَجْرِي مِنِ ابْنِ آدَمَ
مَجْرَى الدَّم، وَإِنِّي خَشِيتُ أَنْ يَقْذِفَ فِي قُلُوبِكُمَا شَيْئًا،
أَوْ قَالَ: شَرًّا»
(Werkelijk, Satan stroomt in de zoon van Adam als het stromen van bloed.
En werkelijk, ik was bang dat hij jullie iets in het hart zou werpen – of hij
zei – iets slechts.) Sa`ied ibn Djoebayr leverde over dat Ibn `Abbaas zei
m.b.t. Allahs woorden:
﴿الْوَسْوَاسِ الْخَنَّاسِ﴾
(De influisteraar (Al-Waswaas) die zich terugtrekt.) "De
duivel die hurkend plaatsneemt op het hart van de zoon van Adam. Dus
wanneer die afgeleid wordt, afwezig en onoplettend, fluistert hij dingen in.
Dan, wanneer hij aan Allah denkt, trekt hij zich terug.'' Moedjaahid en Qatadah zeiden dit ook.
Al-Moe`tamir ibn Soelaymaan leverde over dat zijn vader zei: "Er
werd me verteld dat Sheytaan Al Waswaas is. Hij blaast in het hart
van de zoon van Adam wanneer die verdrietig is en wanneer die blij is. Maar
wanneer hij (de mens) Allah gedenkt, trekt Sheytaan zich terug.''
Al-`Auwfi leverde over van Ibn `Abbaas;
﴿الْوَسْوَاسِ﴾
(De influisteraar.) "Het is Sheytaan. Hij fluistert in en
wanneer hij wordt gehoorzaamd, trekt hij zich terug.''Wat betreft Allahs
woorden:
﴿الَّذِى يُوَسْوِسُ فِى صُدُورِ النَّاسِ ﴾
(Die in de borsten van An-Naas fluistert.) Is dit specifiek voor
de kinderen van Adam zoals het doet voorkomen, of is het in het algemeen,
en slaat het op zowel de mens als de Djinn?
Hier bestaan twee opinies over. Dit komt doordat zij (de Djinn)
ook inbegrepen zijn bij het gebruik van het woord An-Naas (de mens)
in de meeste gevallen.
Ibn Djarier zei: "De zin Ridjaalon min Al-Djinn (Mannen van
de Djinn) wordt gebruikt o hen aan te duiden, dus is het niet vreemd dat
het word An-Naas ook op hen van toepassing kan zijn.'' Dan zegt
Allah:
﴿مِنَ الْجِنَّةِ
وَالنَّاسِ ﴾
(Van de Djinn en An-Naas.) Is dit als uitleg van Allahs
woorden:
﴿الَّذِى يُوَسْوِسُ فِى صُدُورِ النَّاسِ ﴾
(Die fluistert in de borsten van An-Naas.) Dan legt Allah dit
uit door te zeggen:
﴿مِنَ الْجِنَّةِ وَالنَّاسِ ﴾
(Van de Djinn en An-Naas.) Dit ondersteunt de tweede
opinie. Ook is gezegd dat Allahs woorden:
﴿مِنَ الْجِنَّةِ وَالنَّاسِ ﴾
(Van de Djinn en An-Naas) is een uitleg van wie degene is
die influistert in de borsten van de mens van de duivels van de mensheid en
de Djinns. Dit is gelijk aan Allahs woorden:
﴿وَكَذَلِكَ جَعَلْنَا لِكُلِّ نِبِىٍّ عَدُوّاً
شَيَـطِينَ الإِنْسِ وَالْجِنِّ يُوحِى بَعْضُهُمْ إِلَى بَعْضٍ زُخْرُفَ
الْقَوْلِ غُرُوراً﴾
(En daarom hebben we voor elke Profeet vijanden aangewezen – Shayatien
(duivels) van onder de mensen en Djinn, elkaar inspirerend met mooie
woorden als een misleiding.) (6:112) Imam Ahmad heeft overleverd dat Ibn
`Abbaas zei: "Een man kwam naar de Profeet toe en zei: `O Boodschapper
van Allah! Soms zeg ik dingen tegen mezelf, ik zou liever uit de hemel neer
willen vallen dan dat (luidop) te zeggen. 'De Profeet zei :
«اللهُ أَكْبَرُ، اللهُ أَكْبَرٌ الْحَمْدُ للهِ
الَّذِي رَدَّ كَيْدَهُ إِلَى الْوَسْوَسَةِ»
(Allah is de Allergrootste! Allah is de Allergrootste! Alle lof is voor
Allah Die zijn (Satans) listen terugstuurt als slechts een influistering.)''
Aboe Dawoed en An-Nasaa'i leverden deze hadieth ook over.
|
Geen opmerkingen:
Een reactie posten