dinsdag 7 juni 2016

Tafsier Al Moe'awidhatteyn (Soerah Al Falaq en Soerah An Naas), Soerah 113+114

Het standpunt van Ibn Mas`oed m.b.t. Al-Moe`awwidhateyn



Imam Ahmad overleverde van Zirr ibn Hoebaysh dat Oebayy ibn Ka`b hem vertelde dat Ibn Mas`oed de Moe`awwidhateyn niet opnam in zijn moes-haf (een exemplaar van de Qoer-aan). Dus zei Oebayy: "Ik getuig dat de Boodschapper van Allah me op de hoogte stelde dat Djibriel tegen hem zei:

﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبِّ الْفَلَقِ ﴾

(Zeg: "Ik zoek toevlucht bij de Heer van Al-Falaq.'')(113:1) Dus zei hij dat. En Djibriel zei tegen hem:

﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبِّ النَّاسِ ﴾

(Zeg: "Ik zoek toevlucht bij de Heer van de mensheid.'') (114:1) Dus zei hij dat. Zodoende zeggen wij wat de Profeet zei.''
De deugden van Soerah Al-Falaq en An-Naas



In zijn Sahieh, overleverde Moeslim op gezag van `Oeqbah ibn `Amir dat de Boodschapper van Allah zei:

«أَلَمْ تَرَ آيَاتٍ أُنْزِلَتْ هَذِهِ اللَّيْلَةَ لَمْ يُرَ مِثْلُهُنَّ قَطُّ:

(Zien jullie niet dat er vannacht verzen aan me zijn geopenbaard die geen gelijke hebben in eerder geopenbaarde verzen?) Het zijn:

﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبِّ الْفَلَقِ ﴾»

(Zeg: "Ik zoek toevlucht bij de Heer van Al-Falaq.'')(113:1) en :

﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبِّ النَّاسِ ﴾

(Zeg: "Ik zoek toevlucht bij de Heer van de mensheid.'') (114:1)) Deze hadieth werd opgenomen door Ahmad, At-Tirmidhi en An-Nasaa'i. At-Tirmidhi zei: "Hasan Sahieh.''

Nog een andere overlevering



Imam Ahmad overleverde van `Oeqbah ibn `Amir dat hij zei: "Toen ik de Boodschapper langs een van deze paden leidde, zei hij:

«يَا عُقْبَةُ أَلَا تَرْكَبُ؟»

(O `Oeqbah! Zal jij niet rijden ?) was ik bang dat het zou worden beschouwd als een daad van ongehoorzaamheid. Zodoende steeg de Boodschapper van Allah af en reed ik een tijdje. Daarna reed hij. Toen zei hij:

«يَا عُقْبَةُ، أَلَا أُعَلِّمُكَ سُورَتَيْنِ مِنْ خَيْرِ سُورَتَيْنِ قَرَأَ بِهِمَا النَّاسُ؟»

(O `Oeqbah! Zal ik jou twee Soerahs leren, welke de twee beste twee Soerahs zijn die de mensen reciteren?) Zei ik: `Natuurlijk, O Boodschapper van Allah.' Zodoende leerde hij me het reciteren van:

﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبِّ الْفَلَقِ ﴾

(Zeg: "Ik zoek toevlucht bij de Heer van Al-Falaq.'')(113:1) en :
  
﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبِّ النَّاسِ ﴾

(Zeg: "Ik zoek toevlucht bij de Heer van de mensheid.'') (114:1)Toen werd de oproep voor het gebed gedaan en de Boodschapper ging naar voren (om de mensen in het gebed te leiden), en hij reciteerde ze tijdens het gebed. Daarna liep hij bij me langs en zei:

«كَيْفَ رَأَيْتَ يَا عُقَيْبُ، اقْرَأْ بِهِمَا كُلَّمَا نِمْتَ وَكُلَّمَا قُمْتَ»

(Wat vind je, O `Oeqayb, reciteer deze twee Soerahs altijd voordat je gaat slapen en wanneer je opstaat.)''

An-Nasaa'i en Aboe Dawoed leverden beide deze hadieth over.

Nog een andere overlevering



An-Nasaa'i leverde over dat  `Oeqbah ibn `Amir zei, "Ik liep met de Boodschapper van Allah, toen die zei:

«يَا عُقْبَةُ قُلْ»

(O `Oeqbah! Zeg!) Ik antwoordde: `Wat moet ik zeggen?' Hij zweeg en antwoordde me niet. Toen zei hij:

«قُلْ»

(Zeg!) Ik antwoordde: `Wat moet ik zeggen O Boodschapper van Allah?' Hij zei:

«﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبِّ الْفَلَقِ ﴾»

(Zeg: "Ik zoek toevlucht bij de Heer van Al-Falaq.'') Dus zei ik dat hardop tot het einde. Toen zei hij:

«قُلْ»

(Zeg!) Ik antwoordde: `Wat moet ik zeggen O Boodschapper van Allah?' Hij zei:

«﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبِّ النَّاسِ ﴾»

(Zeg: "Ik zoek toevlucht bij de Heer van de mensheid.'') Dus zei ik dat hardop tot het einde. Toen zei de Boodschapper van Allah:

«مَا سَأَلَ سَائِلٌ بِمِثْلِهَا، وَلَا اسْتَعَاذَ مُسْتَعِيذٌ بِمِثْلِهَا»

(Geen persoon smeekt met iets anders zoals deze, en geen persoon zoekt toevlucht met iets anders zoals deze.)''


«إِنَّ النَّاسَ لَمْ يَتَعَوَّذُوا بِمِثْلِ هَذَيْنِ:

(Waarlijk de mensen zoeken nergens bescherming mee als met deze twee:

﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبِّ الْفَلَقِ ﴾

(Zeg: "Ik zoek toevlucht bij de Heer van Al-Falaq.'')(113:1) en;

﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبِّ النَّاسِ ﴾»

(Zeg: "Ik zoek toevlucht bij (Allah) de Heer van de mensheid.'')) (114:1)
Nog een andere overlevering





An-Nasaa'i overleverde dat Ibn `Abis Al-Djoehani zei dat de Profeet tegen hem zei:
«يَا ابْنَ عَابِسٍ أَلَا أَدُلُّكَ أَوْ أَلَا أُخْبِرُكَ بِأَفْضَلِ مَا يَتَعَوَّذُ بِهِ الْمُتَعَوِّذُونَ؟»
(O Ibn `Abis! Zal ik jouw leiden naar – of jou op de hoogte stellen – van het beste ding dat degenen gebruiken die bescherming zoeken?) Hij antwoordde: "Natuurlijk, O Boodschapper van Allah!'' De Profeet zei:
«﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبِّ الْفَلَقِ ﴾
﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبِّ النَّاسِ ﴾
هَاتَانِ السُّورَتَانِ»
(Zeg : "Ik zoek toevlucht bij de Heer van Al-Falaq.'')( en (Zeg: "Ik zoek toevlucht bij de Heer van de mensheid.'')(Deze twee soerahs (zijn de beste bescherming).) Imam Malik leverde over van ‘Aaïsjah dat  wanneer de Boodschapper van Allah aan een kwaal leed, hij de Moe`awwidhateyn (Soerah Al Falaq en Soerah An-Naas) over zichzelf oplas en dan blies (over zichzelf). Wanneer hij erge pijn had, zei ‘Aaïsjah dat zij dan de Moe`awwidhateyn over hem reciteerde, en dan zijn hand nam en daarme over zijn lichaam streek, om zo de zegeningen van deze Soerahs te krijgen. Al-Boekhari, Aboe Dawoed, An-Nasaa'i en Ibn Maadjah namen allen deze hadieth op.
Volgens een overlevering van Aboe Sa`ied placht de Boodschapper van Allah bescherming te zoeken tegen het boze oog van de Djinn en mensen. Maar toen de Moe`awwi dhateyn warden geopenbaard, gebruikte hij die (als bescherming) en liet al het andere achterwege. At-Tirmidhi, An-Nasaa'i en Ibn Maadjah leverden dit over. At-Tirmidhi zei: "Deze hadieth is Hasan Sahieh.''
﴿بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَـنِ الرَّحِيمِ
(In de Naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle.
﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبّ الْفَلَقِ- مِن شَرّ مَا خَلَقَ- وَمِن شَرّ غَاسِقٍ إِذَا وَقَبَ- وَمِن شَرّ النَّفَّـثَـتِ فِى الْعُقَدِ- وَمِن شَرّ حَاسِدٍ إِذَا حَسَدَ-﴾
(1. Zeg: "Ik zoek toevlucht bij de Heer van Al-Falaq,'') (2. "Tegen het kwaad dat Hij heeft geschapen,'') (3. "En tegen het kwaad van de Ghasiq wanneer die Waqab is,'') (4. "En tegen het kwaad van degenen die in de knopen blazen,'') (5. "En tegen het kwaad van de afgunstige wanneer die afgunstig is.'') Ibn Abi Hatim overleverde dat Djabir zei: "Al-Falaq is de ochtend.'' Al-`Auwfi leverde over van Ibn `Abbaas, "Al-Falaq is de ochtend.'' Hetzelfde is geoverleverd door Moedjaahid, Sa`ied ibn Djoebayr, `Abdoellah ibn Mohammed ibn `Aqil, Al-Hasan, Qatadah, Mohammed ibn Ka`b Al-Qoerazi en Ibn Zayd. Malik heeft ook een vergelijkbare overlevering opgenomen van Zayd ibn Aslam. Al-Qoerazi, Ibn Zayd en Ibn Djarier, allen zeiden: "Dit is als Allahs woorden:
﴿فَالِقُ الإِصْبَاحِ﴾
(Hij is de Doorkliever van de dageraad.).'' (6:96) Allah zei:
﴿مِن شَرِّ مَا خَلَقَ ﴾
(Tegen het kwaad dat Hij heeft geschapen,) Betekent tegen het kwaad van alle geschapen dingen. Thabit Al-Boenani en Al-Hasan Al-Basri zeiden allebei: "De hel, Iblies en zijn volgelingen, van wat Hij (Allah) schiep.''
﴿وَمِن شَرِّ غَاسِقٍ إِذَا وَقَبَ ﴾
(En tegen het kwaad van de Ghasiq wanneer die Waqab,) Moedjaahid zei: "Ghasiq is de nacht, en `wanneer die Waqab' verwijst naar het ondergaan van de zon.'' Al-Boekhari vermeldt dit van hem. Ibn Abi Nadjih vermeldde een gelijksoortige overlevering van hem (Moedjaahid).
Hetzelfde werd gezegd door Ibn `Abbaas, Mohammed ibn Ka`b Al-Qoerazi, Adh-Dhahaak, Khoesayf, Al-Hasan en Qatadah. Zij zeiden: "Waarlijk, het is de nacht wanneer die voortgaat met zijn duisternis.'' Az-Zoehri zei:
﴿وَمِن شَرِّ غَاسِقٍ إِذَا وَقَبَ ﴾
(En tegen het kwaad van de Ghasiq wanneer die Waqab,) "Dit wil zeggen de zon wanneer die ondergaat.'' Aboe Al-Moehazzim leverde over dat Aboe Hoerayrah zei :
﴿وَمِن شَرِّ غَاسِقٍ إِذَا وَقَبَ ﴾
(En tegen het kwaad van de Ghasiq wanneer die Waqab, ) "Dit betekent de ster.'' Ibn Zayd zei: "De Arabieren zeiden gewoonlijk: `Al-Ghasiq is de declinatie (van de positie) van het hemellichaam dat bekend staat als de Plejaden. Het aantal zieken en door plagen getroffen vermeerderde wanneer deze declineerde, en het aantal verminderde wanneer deze opkwam.'''
Ibn Djarier zei: "Anderen hebben gezegd dat het de maan is.''
De ondersteuning voor de mensen die achter dit standpunt staan  (dat het hier om de maan gaat) is een overlevering die Imam Ahmad overleverde van Al-Harith ibn Abi Salamah. Hij zei dat ‘Aaïsjah zei: "De Boodschapper van Allah nam me bij de hand, en liet me de maan zien wanneer die opkwam, en hij zei:
«تَعَوَّذِي بِاللهِ مِنْ شَرِّ هَذَا الْغَاسِقِ إِذَا وَقَبَ»
(Zoek toevlucht bij Allah tegen het kwaad van deze Ghasiq wanneer het donker wordt.)'' At-Tirmidhi en An-Nasaa'i leverden deze hadieth beide over in hun tafsierboeken in hun Soennans. Allah zei:
﴿وَمِن شَرِّ النَّفَّـثَـتِ فِى الْعُقَدِ ﴾
(En tegen het kwaad van degenen die in de knopen blazen): Moedjaahid, `Ikrimah, Al-Hasan, Qatadah en Adh-Dhahaak zeiden allen, "Dit betekent de heksen/tovenaars.'' Moedjaahid zei: "Wanneer zij hun bezweringsformule zeggen en dan in de knopen blazen.''
In een andere hadieth wordt overgeleverd dat Djibriel naar de Profeet kwam en zei: "Lijd jij aan een bepaalde ziekte O Mohammed?” Antwoordde de Profeet:
«نَعَمْ»
(Ja.) Dus zei Djibriel: "In de Naam van Allah, I reciteer het gebed (Roeqyah) over jou, tegen elke ziekte die jou doet lijden, tegen het kwaad van elke afgunstige persoon en het boze oog. Moge Allah jou genezen.''
De discussie over de betovering van de Profeet



In het Boek der Geneeskunde van zijn Sahieh, overleverde Al-Boekhari dat ‘Aaïsjah zei: "De Boodschapper van Allah was behekst tot hij dacht dat hij omgang had gehad met zijn vrouwen, maar hij geen omgang met hen had gehad.'' Soefyaan zei: "Dit is de ergste vorm van betovering wanneer het tot dit stadium komt.'' Daarom zei de Profeet:
«يَا عَائِشَةُ، أَعَلِمْتِ أَنَّ اللهَ قَدْ أَفْتَانِي فِيمَا اسْتَفْتَيْتُهُ فِيهِ؟ أَتَانِي رَجُلَانِ فَقَعَدَ أَحَدُهُمَا عِنْدَ رَأْسِي وَالْاخَرُ عِنْدَ رِجْلَيَّ، فَقَال الَّذِي عِنْدَ رَأْسِي لِلْاخَرِ: مَا بَالُ الرَّجُلِ؟ قَالَ: مَطْبُوبٌ، قَالَ: وَمَنْ طَبَّهُ، قَالَ: لَبِيدُ بْنُ أَعْصَمَ: رَجُلٌ مِنْ بَنِي زُرَيْقٍ حَلِيفٌ لِيَهُودَ، كَانَ مُنَافِقًا، قَالَ: وَفِيمَ؟ قَالَ: فِي مُشْطٍ وَمُشَاطَةٍ، قَالَ: وَأَيْنَ؟ قَالَ: فِي جُفِّ طَلْعَةٍ ذَكَرٍ، تَحْتَ رَاعُوفَةٍ فِي بِئْرِ ذَرْوَانَ»
(O `Aaïsjah! Weet je dat Allah mij heeft geantwoord betreffende dat wat ik Hem had gevraagd. Twee mannen kwamen naar me toe en de ene zat bij mijn hoofd terwijl de andere bij mijn voeten zat. Degene die bij mijn hoofd zat zei tegen de andere: `Wat scheelt deze man?' De andere antwoordde: `Hij is behekst/betoverd.' De eerste zei: `Wie heeft hem betoverd?' De andere antwoordde:  `Labid ibn A`sam. Dat is een man van de Banoe Zoerayq (stam)  die een bondgenoot is van de joden, en een hypocriet.' De eerste vroeg: `Waar heeft hij hem mee betoverd?' De andere antwoordde: `Met een kam en haar uit de kam.' De eerste vroeg: `Waar is de kam?' De andere antwoordde: `In de gedroogde schors van een mannelijke dadelpalm onder een rots in een bron genoemd Dharwan.')  ‘Aaïsjah zei: "Dus ging hij naar de bron toe en verwijderde het (de kam met het haar). Daarna zei hij:
«هَذِهِ الْبِئْرُ الَّتِي أُرِيتُهَا، وَكَأَنَّ مَاءَهَا نُقَاعَةُ الحِنَّاءِ،وَكَأَنَّ نَخْلَهَا رُؤُوسُ الشَّيَاطِين»
(Dit is de bron die ik zag. Het leek alsof het water ervan doordrenkt was met henna, en de palmbomen erbij waren als duivelskoppen.) Dus verwijderde hij het (uit de bron). Toen zei ik (`Aaïsjah): `Zal je dit niet bekend maken?' Hij antwoordde:
«أَمَّا اللهُ فَقَدْ شَفَانِي، وَأَكْرَهُ أَنْ أُثِيرَ عَلَى أَحَدٍ مِنَ النَّاسِ شَرًّا»
(Allah heeft mij genezen en ik heb er een hekel aan het nieuws van slechte dingen aan wie dan ook te vertellen.)''
﴿بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَـنِ الرَّحِيمِ
In de Naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle.
﴿قُلْ أَعُوذُ بِرَبّ النَّاسِ- مَلِكِ النَّاسِ- إِلَـهِ النَّاسِ- مِن شَرّ الْوَسْوَاسِ الْخَنَّاسِ- الَّذِى يُوَسْوِسُ فِى صُدُورِ النَّاسِ- مِنَ الْجِنَّةِ وَالنَّاسِ-﴾
(1. Zeg: "Ik zoek toevlucht bij de Heer van An-Naas,'') (2. "De Koning van An-Naas,'') (3. "De God van An-Naas,'') (4. "Tegen het kwaad van de influisteraar die zich terugtrekt.'') (5. "Die in de borsten van An-Naas fluistert.'') (6. "Van de Djinn en An-Naas.'') Dit zijn drie eigenschappen van de eigenschappen van de Heer, de Allermachtigste en Majesteitelijke. Het zijn het heerschap, de majesteitelijkheid en goddelijkheid. Daarom is Hij de Heer van alles, de Koning van alles en de God van alles. Alle dingen werden door Hem geschapen, zijn Zijn bezit, en zijn ondergeschikt aan Hem. Dus beveelt Hij eenieder die bescherming zoekt bij de Ene Die deze eigenschappen heeft tegen het kwaad van de influisteraar die zich terugtrekt. Deze (de influisteraar) is de duivel die aan de mens is toegewezen. Want werkelijk; er is geen enkele van de kinderen van Adam die geen metgezel heeft die de slechte daden voor hem mooi doen lijken. Deze duivel zal al het mogelijke doen om hem in de war te brengen en te vernietigen. De enige persoon die veilig is, is degene die Allah beschermt.
Het is bevestigd in de Sahieh dat hij (de Profeet) zei:
«مَا مِنْكُمْ مِنْ أَحَدٍ إِلَّا قَدْ وُكِّلَ بِهِ قَرِينُهُ»
(Er is niemand van jullie die geen metgezel (een duivel) toegewezen heeft gekregen.) Zij (de Metgezellen) zeiden: "En u dan O Messenger of Allah'' antwoordde hij:
«نَعَمْ، إِلَّا أَنَّ اللهَ أَعَانَنِي عَلَيْهِ فَأَسْلَمَ، فَلَا يَأْمُرُنِي إِلَّا بِخَيْرٍ»
(Ja. Maar Allah heeft me echter tegen hem geholpen, en hij heeft de islam geaanvaard. Zodoende draagt hij me alleen goede dingen op.) Het is tevens bevestigd in de Twee Sahiehs van Anas, die het verhaal van Safiyyah overleverde toen ze de Profeet kwam bezoeken toen hij I`tikaf verrichtte, dat hij ’s nachts met haar meeliep om haar terug te brengen naar haar huis. En ze kwamen onderweg twee mannen van de Ansaar tegen. Toen zij de Profeet zagen, begonnen ze sneller te lopen. Daarom zei de Boodschapper van Allah:
«عَلَى رِسْلِكُمَا، إِنَّهَا صَفِيَّةُ بِنْتُ حُيَيَ»
(Rustig aan! Dit is Safiyyah bint Hoeyay!) Zij zeiden, "Glorie aan Allah, O Boodschapper van Allah!'' Hij zei:
«إِنَّ الشَّيْطَانَ يَجْرِي مِنِ ابْنِ آدَمَ مَجْرَى الدَّم، وَإِنِّي خَشِيتُ أَنْ يَقْذِفَ فِي قُلُوبِكُمَا شَيْئًا، أَوْ قَالَ: شَرًّا»
(Werkelijk, Satan stroomt in de zoon van Adam als het stromen van bloed. En werkelijk, ik was bang dat hij jullie iets in het hart zou werpen – of hij zei – iets slechts.) Sa`ied ibn Djoebayr leverde over dat Ibn `Abbaas zei m.b.t. Allahs woorden:
﴿الْوَسْوَاسِ الْخَنَّاسِ﴾
(De influisteraar (Al-Waswaas) die zich terugtrekt.) "De duivel die hurkend plaatsneemt op het hart van de zoon van Adam. Dus wanneer die afgeleid wordt, afwezig en onoplettend, fluistert hij dingen in. Dan, wanneer hij aan Allah denkt, trekt hij zich terug.'' Moedjaahid en Qatadah zeiden dit ook.
Al-Moe`tamir ibn Soelaymaan leverde over dat zijn vader zei: "Er werd me verteld dat Sheytaan Al Waswaas is. Hij blaast in het hart van de zoon van Adam wanneer die verdrietig is en wanneer die blij is. Maar wanneer hij (de mens) Allah gedenkt, trekt Sheytaan zich terug.'' Al-`Auwfi leverde over van Ibn `Abbaas;
﴿الْوَسْوَاسِ﴾
(De influisteraar.) "Het is Sheytaan. Hij fluistert in en wanneer hij wordt gehoorzaamd, trekt hij zich terug.''Wat betreft Allahs woorden:
﴿الَّذِى يُوَسْوِسُ فِى صُدُورِ النَّاسِ ﴾
(Die in de borsten van An-Naas fluistert.) Is dit specifiek voor de kinderen van Adam zoals het doet voorkomen, of is het in het algemeen, en slaat het op zowel de mens als de Djinn?
Hier bestaan twee opinies over. Dit komt doordat zij (de Djinn) ook inbegrepen zijn bij het gebruik van het woord An-Naas (de mens) in de meeste gevallen.
Ibn Djarier zei: "De zin Ridjaalon min Al-Djinn (Mannen van de Djinn) wordt gebruikt o hen aan te duiden, dus is het niet vreemd dat het word An-Naas ook op hen van toepassing kan zijn.'' Dan zegt Allah:
﴿مِنَ الْجِنَّةِ وَالنَّاسِ ﴾
(Van de Djinn en An-Naas.) Is dit als uitleg van Allahs woorden:
﴿الَّذِى يُوَسْوِسُ فِى صُدُورِ النَّاسِ ﴾
(Die fluistert in de borsten van An-Naas.) Dan legt Allah dit uit door te zeggen:
﴿مِنَ الْجِنَّةِ وَالنَّاسِ ﴾
(Van de Djinn en An-Naas.) Dit ondersteunt de tweede opinie. Ook is gezegd dat Allahs woorden:
﴿مِنَ الْجِنَّةِ وَالنَّاسِ ﴾
(Van de Djinn en An-Naas) is een uitleg van wie degene is die influistert in de borsten van de mens van de duivels van de mensheid en de Djinns. Dit is gelijk aan Allahs woorden:
﴿وَكَذَلِكَ جَعَلْنَا لِكُلِّ نِبِىٍّ عَدُوّاً شَيَـطِينَ الإِنْسِ وَالْجِنِّ يُوحِى بَعْضُهُمْ إِلَى بَعْضٍ زُخْرُفَ الْقَوْلِ غُرُوراً﴾
(En daarom hebben we voor elke Profeet vijanden aangewezen – Shayatien (duivels) van onder de mensen en Djinn, elkaar inspirerend met mooie woorden als een misleiding.) (6:112) Imam Ahmad heeft overleverd dat Ibn `Abbaas zei: "Een man kwam naar de Profeet toe en zei: `O Boodschapper van Allah! Soms zeg ik dingen tegen mezelf, ik zou liever uit de hemel neer willen vallen dan dat (luidop) te zeggen. 'De Profeet zei :
«اللهُ أَكْبَرُ، اللهُ أَكْبَرٌ الْحَمْدُ للهِ الَّذِي رَدَّ كَيْدَهُ إِلَى الْوَسْوَسَةِ»
(Allah is de Allergrootste! Allah is de Allergrootste! Alle lof is voor Allah Die zijn (Satans) listen terugstuurt als slechts een influistering.)'' Aboe Dawoed en An-Nasaa'i leverden deze hadieth ook over.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten